Blije woorden en niets anders

Soms heb je van die momenten dat je vindt dat je een geweldig leven hebt. Die momenten die je een glimlach op je gezicht doen toveren. Zomaar, voor je er ook maar over na hebt kunnen denken, besef je: ik ben gelukkig. Ik wil niets anders.

Dat moment ervaarde ik vandaag. Ik dacht terug aan de afgelopen dagen, de afgelopen tijd. Voor ik er erg in had, kwam er in me op dat ik het fijn vond, heerlijk. Een stemmetje in mijn hoofd zei: ik ben gelukkig, wat heb ik toch een geweldig leven. Als vanzelf had ik een grote glimlach op mijn gezicht.

Ik dacht aan mijn nieuwe opleiding. Het studeren, de school, de mensen. Alles is, al is het maar tot nu toe, erg goed bevallen. Ik heb niets te klagen. Lol en gekheid in de pauzes, lol tijdens de colleges, na school de stad in of lekker terrassen, allemaal leuk. Het studentenleven zoals het in mijn ogen zou moeten zijn. Of nou ja, één ding ontbreekt er nog. Een eigen kamer in Tilburg, maar ook die komt er wel.

Ook de weekenden zijn goed gevuld. Afspreken met al mijn lieve vriendinnetjes, uren aan de telefoon hangen met Vriendin A. of Vriendin R en de liefde voor het schrijven met Vriendin I. ’s Avonds lekker stappen in Tilburg of Breda en genieten van de overheerlijke wijn, de mannelijke aandacht en lekker dansen. Het leven is van jou, van niemand anders. Met die gedachte wordt het uitgaan helemaal een groot feest. Verder ga ik altijd met plezier naar mijn werk, waarna ik altijd net zo vrolijk en met een goed gevulde portemonnee thuiskom. Weer niets te klagen dus.   

 Als ik al deze mooie en fijne dingen bij elkaar optel, besef ik dat ik tevreden ben met hoe mijn leven op dit moment loopt. Daar word ik nóg gelukkiger van. Die glimlach is voorlopig niet van mijn gezicht af te krijgen. Stiekem hoop ik dat jullie met me meedoen, dat we allemaal een glimlach op ons gezicht hebben staan. Gewoon, omdat het eigenlijk zo makkelijk is. Gewoon, omdat we allemaal gelukkig zijn.

Spiegel

Staand boven het water
kijk ik omlaag
Zie mezelf weerkaatst door het licht

Denkend aan wat jij hebt gezegd
wat jij hebt bedoeld
wat jij hebt gewild
Dat ik naar mezelf leerde kijken

Nu sta ik hier
Zonder jou
Alleen maar het zachte golven van het water
en mijn silhouet

Ik zie het water
waar ik doorheen kan kijken
Ik zie mezelf
waar ik ook doorheen kan kijken

Langzaam worden mijn gedachten
één met de golven
De spiegel die ik me voorhoud
laat zien wat jij had bedoeld

Ik haast me naar je toe
Het kan alleen nog maar beter worden

De wereld door de ogen van een kind

Met het roze emmertje in haar hand liep ze de vele trappen af van de flat waarin ze woonde. Het was een mooie dag. Ze hield van de zomer en ze hoefde niet naar school. De zon scheen op haar armen, haar vlechtjes wapperden in de wind. Het zomerbriesje dat er waaide, deed haar jurkje opbollen. Ze voelde zichzelf net zo mooi als de ballerina die ze op haar slaapkamer had staan. Ze lachte en begon te huppelen.

Eenmaal aangekomen bij de grote parkeerplaats die voor de flat lag, ging ze voorzichtig zitten. Ze zette het emmertje neer en haalde er het gele stoepkrijt uit. IJverig en vol overgave begon het meisje met het inkleuren van de zon. Een grote ronde cirkel en lange zonnestralen die heel ver reikten. Daarna waren met het blauwe en witte krijt de wolken aan de beurt. Trots keek ze naar de heldere lucht die ondertussen ontstaan was. Van regen hield ze niet. Het leek wel of de mensen dan iets treurigs hadden, alsof iedereen met de regen mee huilde. Haar lucht bestond alleen maar uit witte wolkjes en heel veel zon.

In de lucht vlogen vogels fladderend en tsjilpend rond. Net als het meisje leken ze van deze dag te genieten. Ze haalde alle kleurtjes uit het emmertje. Roze, rood, oranje, groen en paars. Haar tekening moest vrolijk worden, met alle kleuren van de regenboog. Ze tekende vlinders en bloemen, kwispelende hondjes en een grote speeltuin.

Van al het tekenen en kleuren kreeg ze het wel warm. Het meisje besloot even in de schaduw te gaan zitten en daarna weer verder gaan. Terwijl ze naar haar tekening keek, dacht ze aan de dingen die ze in boekjes gelezen had en waarover opa zo mooi kon vertellen. Ruzies, pesterijen, oorlog, pijn. Ze werd er verdrietig van. Ze snapte niet dat mensen elkaar niet aardig konden vinden of elkaar uitlachten. Iedereen is toch even aardig, dacht ze bij zichzelf. Dat bracht haar op een idee.

Snel ging ze verder met haar tekening. Ze tekende witte mensen, bruine mensen, gele mensen en oranje mensen. Alle mensen stonden hand in hand en iedereen op haar tekening was even mooi en even aardig. Niemand keek verdrietig of boos, ze lachten allemaal. Na een tijdje was ze klaar. Ze deed een paar stapjes achteruit en keek stralend naar de kleurrijke tekening die bijna de hele parkeerplaats bedekte.

Ze keek omhoog naar de flat. Misschien zat haar mama wel op het balkon, dan kon ze haar tekening zien. Maar niet alleen haar moeder zat op het balkon, vele mensen waren op hun balkon gaan staan en keken over de rand naar beneden naar de tekening van het meisje. Velen kregen als vanzelf een lach op hun gezicht, sommige mensen raakten ontroerd en weer een ander dacht terug aan vroeger. Ze zagen een nieuwe wereld, de wereld zoals hij eigenlijk zou moeten zijn, door de ogen van het meisje.

Portret van een vrouw

Al van jongs af aan fascineert de Tweede Wereldoorlog mij op de een of andere manier heel erg. Ik keek graag naar films die hier over gingen of las mooie boeken. Omdat ik zoveel van persoonlijke verhalen houd, heb ik er zelf een geschreven. Het gaat over een vrouw, die op haar sterfbed terugkijkt op haar leven.

Het was alsof haar ogen dansten op de zwoele muziek, waarvan zij vroeger zo genoot. Beelden doemden zich in haar op. Heel langzaam gingen haar ogen open. Er was licht een twinkeling in te zien, veroorzaakt door het geluid van de dansende beelden op de zwoele muziek in haar hoofd.
Haar oude, smalle handen gleden over de dekens. Zo goed als het ging, legde ze haar hand op haar borst. Daar onder haar borst lag haar hart, dat gevuld was met tal van herinneringen. Zacht voelde ze haar hart kloppen. Haar blik viel op de gouden ring die zij om haar rechter ringvinger droeg. Het diamant glinsterde in het zonlicht dat de kamer vulde. Met haar andere hand streelde ze het diamant. Ze dacht terug aan de zomer van 1945.

De oorlog was nu drie maanden voorbij, maar voor haar niet. Voor haar leefde de oorlog nog diep van binnen voort, alsof er nooit een einde aan zou komen. Het was begin augustus, een zwoele zomeravond. De vrede die de bloemen en de natuur uitstraalden, maakte haar rustig. Ze was gelukkig op dat moment, ondanks het verdriet dat ze met zich meedroeg. Ze liep over de weiden langs de velden naar het beekje, dat uitmondde in een klein meer. David, haar geliefde, was er al. Hij zag haar en liep stralend op haar af. Ze keek naar zijn haren die wapperden door het briesje dat er waaide. Zijn haren, waar ze al zo vaak met haar handen doorheen gewreven had. David nam haar in zijn armen, kuste haar lippen en nam haar toen bij de hand. “Mijn liefste, sprak hij, “Wil je mijn vrouw worden en mijn hand nooit meer loslaten?” In zijn hand had hij een doosje. Hij opende het doosje en een prachtige, dieppaarse diamant kwam tevoorschijn.

Zestig jaar waren zij en David getrouwd. Ze keek weer naar haar ring. Hier lag ze dan alleen in haar bed. In haar land, in haar Israël. Drie jaar geleden overleed David aan zijn ouderdom. Het leven was genoeg geweest, hij kon niet meer. Nu naderde ook haar einde. Ze was vierentachtig jaar en ernstig ziek en verzwakt. Zware longontsteking volgens de artsen. Ze koesterde de herinneringen die maar voor haar ogen bleven dansen. Ze dacht terug aan gisteren, toen haar zoon met zijn vrouw en hun dochter bij haar op bezoek waren. Waarschijnlijk voor de laatste keer, zei haar gevoel. Ze was moe en zwak, het was mooi geweest. Gisteren was voor haar het definitieve afscheid. Haar zoon had gehuild en haar voorhoofd gekust. Ze was trots op Peter. Haar zoon deed haar altijd denken aan haar eigen vader. Wat is het jammer, dacht ze, dat hij zijn grootvader nooit heeft gekend. Zijn grootouders waren tijdens de oorlog in een concentratiekamp vermoord. Nooit vergeet ze meer het moment dat ze van haar eigen ouders gescheiden werd.

Ze liep aan haar moeders hand en hield haar stevig vast. Zo goed als het kon, begeleidde ze haar over de weg. Papa liep aan de andere kant. Ze had het erg koud. Het was winter en het sneeuwde onophoudelijk. Ze hadden met alle andere gezinnen, mannen en vrouwen al een flink stuk gelopen. Ze maakte zich zorgen om mama. Haar moeder had reuma en kon niet zo ver lopen, ze was uitgeput. Ze bleef maar naar haar moeder kijken, tot ze plotseling werd opgeschrikt door een harde schelle stem, die riep: “Mannen naar links, vrouwen naar rechts en kinderen tot dertien jaar naar het midden, schnell bitte!” Schoten klonken en een groot rumoer barstte los. Ze wist dat zij en haar moeder nu naar rechts moesten en haar vader naar links, de andere kant op. Haar vader kuste haar, streek haar over het haar en zei: “Mijn lieve grote dochter, pas goed op jezelf en op mama. Bid iedere dag tot God en alles komt goed. Weet dat ik dicht in je buurt ben. We zien elkaar snel.” Hij veegde een traan van zijn wang en draaide zich toen om. Huilend bleef ze naar de donkere silhouet van haar vader staren, dat sterk afstak, tegen de witte sneeuw. Ze werd geconfronteerd met het contrast tussen leven en dood. Tot haar grote spijt heeft ze haar ouders nooit meer teruggezien.

Ze denkt nog vaak terug aan hen. De gedachten aan haar ouders zijn alleen maar sterker geworden sinds Davids dood. Haar vaders advies volgt ze nog altijd trouw op. Iedere dag bidt ze tot God. Ze voelt aan het kruisje dat om haar nek hangt. Ze weet dat als ze dood is, God haar bij haar ouders en David zal brengen. Ze wil niets liever, ze is er klaar voor. Dan sluit ze haar ogen en laat zich gaan. Langzaam zakt ze weg en de dansende beelden doemen zich weer op. Zacht blaast ze haar laatste adem uit.

Haar naam was Sara Katz.

Te oud? Echt niet!

Met carnaval – in februari dus – ontmoette ik een leuke jongen. Alleen zijn leeftijd zat niet helemaal mee, maar dat maakte me eigenlijk weinig uit. Het ging toch helemaal niet om leeftijd?! Helaas dachten veel mensen daar anders over en daarom schreef ik er toen deze column over.

 Afgelopen carnaval liep ik een leuke jongen tegen het lijf. ‘Jongen?!’ hoor ik sommigen van mijn vriendinnen nu in koor roepen. ‘Een man zul je bedoelen, Daphne!’ Ja, ja, oké… Hij is geen zeventien, zoals ik ben. Ook geen achttien, negentien of twintig. Nee, dat allemaal niet. Hé, maar ho eens even! Hij is ook niet in de dertig, hoor. Wat dan wel, vraag jij jezelf nu af. Zesentwintig, dat is zijn leeftijd, zesentwintig lentes jong.

Twee weken geleden zag ik hem dus in de kroeg in Breda. Natuurlijk wist ik wel dat hij wat ouder was dan ik, maar so what? Leeftijd speelt geen rol, vond ik toen en dat vind ik nu nog steeds. Kom op zeg, het is maar een getal. Hoewel ik natuurlijk wel vind dat er grenzen zijn. Een man van in de dertig? Nee, bedankt. Of een man van vijftig die het doet met een vrouw van dertig, dat snap ik ook niet helemaal. Maar goed, een verschil van acht á negen jaar moet kunnen.

De jongen en ik deden gewoon de dingen die iedereen doet met carnaval: we kletsten, lachten, dronken, hadden het naar onze zin en dansten, wat tja, natuurlijk over ging in zoenen. Helaas werden we al snel gestoord door zijn leuke vrienden, die het nodig vonden eens even mijn leeftijd te checken. Daar had je het al. Ze hoorden van mijn leeftijd en lachend vroegen ze me het hemd van het lijf. Zijn vrienden waren niet de enigen die het niet helemaal begrepen. Vriendin A. wierp al een aantal keren een vragende blik naar me en de grote vraagtekens in haar ogen waren duidelijk zichtbaar. Niks aan de hand, het is maar carnaval, dacht ik en ik richtte me weer tot de jongen.

Zo stonden we een uur lang in de kroeg en vriendin A. moest zich zien te vermaken met de vrienden van mijn crush, die ze veel te oud vond en daarom niets van hun aandacht moest hebben. Na een uur had ze het dan ook wel weer gehad en besloot ze dat we nu toch echt gingen eten. Snel wisselden de jongen en ik onze nummers uit.

En dat was dan het avontuur met de zesentwintigjarige jongen, vermoed je nu, maar dat is niet zo. Het liep toch even anders. Afgelopen zaterdag hadden we afgesproken in de kroeg in Breda. Niet dezelfde als die met carnaval, maar een gezellig kroegje waar je kon zitten en rustig wat kon drinken. We kletsten en lachten wat af. Van het leeftijdsverschil was helemaal niets te merken. Leeftijd speelt dus geen rol, want ondanks dat ik zeventien ben en hij zesentwintig, was het meer dan een geslaagde avond.

En ach, ze zeggen niet voor niets altijd: “Op een oude fiets moet je het leren!”

Vragen zonder antwoord

We vragen ons allemaal wel eens dingen af. Waarom gebeuren dingen zonder reden? Waarom gaat alles zoals het gaat? Vaak hebben we er geen antwoord op, hoe graag we ook zouden willen.

Waarom? Deze vraag blijft steeds maar weer in mijn hoofd rondspoken. Als een vlieg boven een glas limonade. Uiteindelijk besluit de vlieg na verschillende overpeinzingen en pogingen tóch de gok te wagen en het glas in te vliegen. Zo is het ook met de vraag in mijn hoofd.

Ik heb besloten dat ik het antwoord nu toch echt ga vinden, want ik wil het weten. Misschien zal het me veel moeite kosten, maar dat is het meer dan waard. Want straks zal ik het antwoord op mijn vraag weten. Net als de vlieg, die na verschillende pogingen de zoete limonade kan proeven. En als hij dan met zijn pootjes heel voorzichtig door de limonade gaat en het suiker zich laat smaken, is hij meer dan tevreden. Missie geslaagd.

Er zijn een heleboel vragen waar ik stiekem wel het antwoord op weet. Waarom heeft de prins op het witte paard nog steeds niet voor mijn deur gestaan? Omdat ik te kieskeurig ben en van de vrijheid wil genieten. Als het serieus dreigt te worden, kap ik het af. Waaromverpestte ik op de middelbare school mijn wiskunde zo vaak? Omdat ik te weinig sommen oefende. Met alleen maar theorie leren, kom je er niet. Waarom is de bom, die vorige week op mijn kamer ontploft is nog steeds niet ontruimd? Omdat ik daar te lui voor ben.

Maar dan de belangrijke, moeilijke vragen. Waarom is er oorlog? Waarom kunnen mensen niet gewoon in vrede met elkaar leven? Al die haat, ik begrijp het niet. Respect, het enige wat we nodig hebben en er zou eigenlijk overal vrede moeten zijn. Helaas is dat niet zo. Door oorlogen gaan er zoveel onschuldige mensen dood. Waarom? En waarom gaan er ook in landen waar geen oorlog is, zoveel mensen dood? Zoveel kinderen ook. Een ziekte, een ongeluk, geweld. Het is niet eerlijk. Waarom zijn er zoveel mensen die niet kunnen genieten van het leven? Waarom zijn zij ongelukkig? Waarom kunnen wij er niet altijd voor zorgen dat ze het leven weer gaan waarderen? Zoveel vragen, maar zo weinig antwoorden. Wisten we ze maar, dan zouden veel dingen een stuk duidelijker zijn.

Laat ik dan maar meteen gaan beginnen met mijn missie. Wanneer ik de antwoorden gevonden heb, maar ze bevallen me niet, geef ik de moed niet op en zoek ik gewoon weer verder. Want wanneer de vlieg er achterkomt dat er in het glas helemaal geen limonade zit, maar rode verf, vliegt hij zo weer weg en gaat op zoek naar iets anders. Iets wat wel aan zijn eisen voldoet, iets wat lekker zoet is. Dat zal ik ook blijven doen met het vinden van de antwoorden op mijn vragen.