‘Ik wil iets terug doen voor slachtoffers van de aardbeving in Nepal’

WAALWIJK – De 25-jarige Anouk van Geffen uit Drunen hield gisteravond in Atelier Winterdijk 30b een lezing over haar ervaringen in Nepal van voor en na de aardbeving om mensen bewust te maken van de hulp die nodig is.

Door Daphne van Breemen

“We waren op een vrijmarkt van onze organisatie SPAK, School of Performing Arts Kathmandu, toen de grond ineens onder onze voeten begon te trillen. Je weet niet wat je meemaakt. De grond is iets vanzelfsprekends, die staat stil. Ineens golfde die zo hard “, omschrijft Van Geffen de beving.

Ze was op die bewuste 25 april net een paar dagen in de hoofdstad Kathmandu, samen met drie studiegenoten van de opleiding Theatermanagement van de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht (HKU), toen de ramp het gebied trof. Omdat het er niet veilig was – een nieuwe aardbeving dreigde, er was nauwelijks eten en drinken en de kans op ziekten nam toe – besloten de docenten van de HKU dat het viertal zo snel mogelijk terug naar Nederland moest komen. Na een nacht noodgedwongen slapen op straat, gingen Van Geffen en haar studiegenoten de volgende dag naar het vliegveld. Daar brachten ze twee nachten door voor op Schiphol landden. “Dat is dubbel. Je laat al die mensen achter die niet naar veilig gebied kunnen. Maar blijven ging ook niet. Je kunt niks doen en je drinkt van hun water en eet van hun eten.”

De beving, die een kracht van 7,8 op de Schaal van Richter had, verwoestte complete dorpen in de bergen en maakten de steden tot grote puinhopen. Vanwege die grote schade zamelt Van Geffen nu geld in voor de wederopbouw van het getroffen gebied. Met de lezing hoopt ze de aanwezigen ervan te kunnen overtuigen hoe belangrijk hulp is. Het regenseizoen breekt aan, waardoor de geïmproviseerde huizen waarin de mensen nu wonen, straks niet genoeg bescherming bieden. Van Geffen laat een foto van zo’n ‘huis’ zien. “Het is niet waterdicht, beschermt niet tegen wilde dieren en insecten en bij een volgende beving stort het volledig in.”

Deze studiereis was Van Geffens tweede keer in Nepal en net als de eerste keer had ze de mensen weer in haar hart gesloten. “Die dagen voor de beving zijn we zo goed geholpen. Mijn doel is om de mensen nu iets terug te geven.” Mensen kunnen via Facebook contact opnemen met Van Geffen of geld storten op haar rekening. Ze zorgt er dan voor dat het bedrag bij de School of Performing Arts Kathmandu terechtkomt. Deze Nederlandse organisatie geeft de getroffen kinderen muziektherapie om hun trauma te verwerken. Ook zorgt ze ervoor dat het geld naar haar Nepalese vrienden en gastgezin gaat. “Een simpel huis kost vijfhonderd euro, maar dat stort bij een beving in. Er is meer nodig voor een stevig huis dat blijft staan.”

Dit artikel verscheen tevens in het Brabants Dagblad van 3 juni 2015, editie De Langstraat.

DJEMM!’s ‘Proost!’ is letterlijk feest van herkenning

WAALWIJK – Jongerenmusicalgroep DJEMM! stond dit weekend drie keer op de planken van theater De Leest met hun voorstelling ‘Proost!’. Het Brabants Dagblad was er zaterdag bij.

“Mijn naam is Tim de Bruin en ik ben 21 jaar. Ik ben jarig op 28 november. Vandaag is het 28 november. En zoals elk jaar is er vanavond een surpriseparty”, dat zijn de eerste woorden van hoofdrolspeler Timon Klerx, die daarmee meteen de zaal het verhaal in trekt. Ook de rest van de avond houdt Klerx de ogen van het publiek strak op zich gericht, soms met kippenvel tot gevolg. Op Tim’s feestje stellen zijn zussen en vrienden zich één voor één aan de zaal voor, wat nieuwsgierig maakt naar wie zij – op die paar woorden na – verder zijn.

Naarmate de musical vordert, wordt dat duidelijk. Iedereen in de zaal herkent zich wel in de personen en de situaties. Zo is er het stel met relatieproblemen, het meisje dat teveel drinkt en de simpele, zeg maar gerust ordinaire Samantha, met haar blonde haar en panterprintjurkje. Ze wordt overtuigend gespeeld door Jamie Boertien. Een beetje cliché is het wel, maar het publiek kan hard om haar schaamteloze kauwgomgesmak lachen.

De verjaardag van Tim komt telkens opnieuw terug en steeds zijn er diezelfde vrienden met hun eigen problemen. Als dit na een tijdje voorspelbaar wordt en de vraag waar dit heengaat boven komt drijven, neemt het verhaal een andere wending. Er is dan nog maar weinig reden om te proosten. Tim is depressief en heeft genoeg van zijn vrienden, die nauwelijks oog voor hem hebben. Deze diepgang komt op het juiste moment. Een fijne afwisseling in het repertoire van DJEMM!: na de musicals ‘VET’ vorig jaar en ‘Moulin Rouge’ in 2012, is het na deze luchtige, vrolijke voorstellingen tijd voor iets heel anders. Een uitstapje naar de serieuze zaken van het leven, vertolkt in een frisse uitvoering. Zoals DJEMM in 2009 ook al eens deed met de musical ‘Lenteprikkels’, gebaseerd op Broadway’s bekende musical ‘Spring Awakening’, waarin een groep jongeren zichzelf en hun seksualiteit ontdekken aan het eind van de negentiende eeuw (1891).

Wanneer Tim een pokeravondje heeft met zijn vrienden, gespeeld door Jessy Hooijmaijers, Robin Smits, Jimmy Hooijmaijers, Luc Verboven en Jalil Somford, lijkt alles weer goed te zijn. Met een eigen versie van Dotan’s hit ‘Home’ zingen zij ‘We komen thuis hier’. Een moment dat niet lang genoeg kan duren. Als publiek zit je bijna bij hen aan tafel en is het lastig om niet met je voeten mee te bewegen op de maat, zoals de heren doen. Een goede zet van regisseuse en choreografe Aukje van de Wiel, die ook het script schreef. Het live-orkest onder leiding van Ruud Verkoeijen maakt het tafereel af.

Het is DJEMM! zoals Waalwijk DJEMM! kent: energiek en geloofwaardig. Om met de woorden van Tim en zijn vrienden te spreken: het publiek kwam thuis in De Leest.

Deze recensie stond op maandag 6 oktober in het Brabants Dagblad, editie De Langstraat.

Import houdt het klooster jong – Trouw

Tientallen Nederlandse kloosters openen zaterdag hun deuren. De bewoners komen steeds vaker uit het buitenland.

In het kloosterleven in Nederland is een ommekeer gaande. Werden vroeger Nederlandse paters en zusters uitgezonden naar Latijns-Amerika, Azië en Afrika, nu komen kloosterlingen uit die werelddelen naar hier. Hun aantal is in zeven jaar tijd zelfs verdubbeld.

In de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw bouwden Nederlanders nog kerken op in Latijns-Amerika, Azië en Afrika. Driekwart van alle katholieken woonde in Noord-Amerika en Europa, het andere deel in de missielanden. Eind twintigste eeuw was dit beeld totaal gekanteld: 65 procent van de katholieken leefde toen in Latijns-Amerika, Azië en Afrika en nog maar 35 procent in Noord-Amerika en Europa.

Deze verandering is het gevolg van de secularisatie en de vergrijzing in het Noorden. “Hier verkeert het religieuze leven in een crisis”, zegt Gerard Moorman van de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR). “Er zijn weinig intredingen en de kloosters vergrijzen.”

Opvallende ontwikkeling
Uit cijfers van de KNR, de overkoepelende organisatie van kloosters in Nederland, blijkt dat er in 2012 zo’n 340 buitenlandse kloosterlingen in Nederland werkzaam waren. In 2011 waren dat er nog 274 en in 2006, toen de eerste telling werd gedaan, nog 180. Officiële cijfers voor 2013 zijn er nog niet, maar de KNR gaat uit van 350. Al zijn het er waarschijnlijk meer. Moorman: “De getallen zijn niet absoluut, omdat we de komst van nieuwe buitenlandse religieuzen niet altijd doorkrijgen van de verschillende orden en congregaties.” Maar dat er een opvallende ontwikkeling gaande is, is duidelijk. “350 buitenlandse religieuzen afgezet tegen de zesduizend Nederlandse kloosterlingen die er hier nog zijn, laat zien dat het aantal internationalen procentueel gezien groeit.”

Dat er steeds meer internationale religieuzen naar Nederland komen, heeft volgens Moorman verschillende redenen, die al in de vorige eeuw beginnen. De eerste lichting bestond uit bestuursleden van ordes en congregaties, waarvan het generale bestuur in Nederland zetelde. De tweede groep komt sinds de jaren negentig om hier als missionaris te gaan werken. Dat kan zorg voor ouderen, daklozen en gedetineerden betekenen, maar ook het verzorgen van zieke medebroeders of -zusters.

Geen buitenlandse religieuzen
Kloosters in stand houden of Nederlandse katholieken weer de kerkbanken in krijgen wordt doorgaans niet van de buitenlandse religieuzen verwacht. Hun Nederlandse broeders en zusters vinden dat niet per se nodig. Gerard Moorman: “De Nederlandse kloosterlingen vinden dat zij hun werk hebben gedaan en dat je taken makkelijk door leken uit kunt laten voeren. Je hoeft daarvoor geen buitenlandse religieuzen naar hier te halen.”

Wel hopen de Nederlanders dat hun buitenlandse broeders en zusters contacten kunnen leggen met jongeren. Moorman: “De internationale kloosterlingen zijn vaak rond de dertig, veertig. Bijna de helft jonger dan hun Nederlandse collega’s. Zij zouden de jongeren dus beter begrijpen.”

Moorman ziet nog een andere taak weggelegd voor de buitenlandse religieuzen: allochtone christenen helpen hier in te burgeren. “Veertig procent van de migranten in Nederland is christen. Als migranten moeten zij inburgeren. Samen kunnen ze de ervaring van een leven opbouwen in een nieuw land met elkaar delen.”

Open Kloosterdag
Zaterdag is de zesde editie van de Open Kloosterdag, georganiseerd door de Konferentie Nederlandse Religieuzen. Ruim dertig kloosters, van Assel tot Zenderen, openen hun deuren. Zie voor de lijst van deelnemende kloosters: www.openkloosterdag.nl

‘Ik wil iets betekenen voor de medemens’
Ze vond ‘Olanda’, zoals Nederland in Brazilië heet, altijd al een bijzondere naam. Maar zuster Lucia Schnekemberg (49) wist niets van het land. Daar kwam verandering in toen zij tijdens haar tijd in het Braziliaanse klooster een boekje over het protestantisme in Nederland kreeg. “Als katholiek voelde ik dat mijn missie hier in Nederland lag”, vertelt zuster Lucia in het klooster van de Heilige Maria Magdalena Postel in Vleuten. Ze was 30 toen er in 1994 bij de Braziliaanse provincie van deze congregatie een brief uit Nederland kwam: het Vleutense klooster zocht versterking van een jonge zuster. Zuster Lucia ging meteen.
Ze kwam terecht bij negen zusters die allemaal bijna zestig waren. “Ik voelde mij er meteen thuis, ondanks de leeftijd en de paar woordjes Nederlands die ik sprak.” Missiewerk, dat is waarvoor zuster Lucia is gekomen. “Ik wil iets betekenen voor de medemens.” Ze zorgt voor de voedselinzameling voor de voedselbank, promoot het misdienaarwerk en ze zit in de zogeheten Parochie Support Groep. Als ze tijd over heeft, promoot zuster Lucia de kerk via Facebook en Twitter. “Dan bereik je meer mensen.”

‘Wat is dat toch met die pollen in Nederland’
De congregatie Het Gezelschap van het Goddelijk Woord (SVD) is over de hele wereld te vinden en heeft zelfs verschillende afdelingen in Nederland, maar toch wilde de Nederlandse missionarissen er een communiteit bij hebben. Zo kwam pater Klemens Hayon (45) twee jaar geleden vanuit Nieuwegein in Duivendrecht terecht. “We hadden als eerste SVD’ers een missieproject met de lokale kerk hier. Voor die tijd was de SVD niet in Duivendrecht te vinden.”
Hayon kwam op zijn 32ste vanuit Indonesië bij de SVD in Nieuwegein terecht. Het liefst was hij naar Brazilië gegaan, maar het bestuur in Rome bepaalde dat het Nederland werd, want “Nederland is een echt missieland geworden”, verklaart Hayon. “Waar ik ook naar toe gestuurd word, overal is mijn missie. Daar ben ik missionaris voor.” Hij hier is actief in de daklozenopvang en praat met drugsverslaafden en anderen die het moeilijk hebben, om op die manier iets voor hen te kunnen betekenen. Daarnaast begeleidt hij Indonesische katholieken in Nederland.
Hoewel hij hier gewend is, is het ieder jaar weer is het hetzelfde liedje. Dan loopt pater Hayon met hooikoorts rond. “Ik weet niet wat dat is hier met die pollen. Maar in Indonesië is het overal stoffig en daar heb ik nergens last van.”

Bidden met studenten
Broeder Jan Maria (31) kwam vorig najaar in Nederland aan. Hij heeft een Frans klooster ingeruild voor het Utrechtse klooster van de Broeders van Sint Jan, omdat hij hier in Nederland twee jaar stage loopt. Jan Maria komt eigenlijk uit Slowakije, maar daar zit geen congregatie van de Familie van Sint Jan, daarom ging hij naar Frankrijk. Het valt Maria op dat de mensen in Nederland in elkaar geïnteresseerd zijn. “Neem Slowakije, dat land was jarenlang communistisch. Niemand kon erin en niemand kon eruit. Dat heeft de mensen gesloten gemaakt. Ze zitten thuis met hun familie en dat is hun leven.”

Toen hij hier vorig jaar kwam, was hij misschien een vreemdeling “en zo voelde ik me ook door de taalbarrière”, maar de mensen waren wel nieuwsgierig. “Iedereen die ik tegenkwam toonde interesse. Ik praatte veel met de mensen uit de parochie.” Juist daar kwam Maria erachter hoe lastig de taal is als je hier nog maar net bent. “De mensen namen me in vertrouwen en vertelden me van alles, ook gezondheidsproblemen. Ik had geen idee wat ze bedoelden, ook niet als ze het vijf keer herhaalden.”
Eén van Maria’s doelen is het betrekken van Utrechtse studenten bij de kerk. Iedere week komt hij met een groepje samen. “Dan bidden we en discussiëren we over het geloof.”

De kerk naar de mensen brengen
In mei is ze vijftig jaar zuster. Een halve eeuw waarin het bed van zuster Maria Goretti (71) in vier kloosters stond. Eén in Canada, één in Amerika en twee in Nederland. Allemaal bij dezelfde, van oorsprong Nederlandse congregatie: de Dominicanessen van Bethanië. Zuster Goretti kwam in 1975, ze was toen 33, vanuit Chicago naar het Brabantse Teteringen.
Zes jaar geleden wilde het bestuur van de Dominicanessen van Bethanië een nieuw huis stichten. Ze dachten aan Delft, want dat is een levendige studentenstad. “We wilden er zijn voor de mensen, zodat ze met ons konden bidden en praten. Mensen die het moeilijk hebben moeten ons weten te vinden.”
Samen met twee andere zusters – ook begin zeventig – woont zuster Goretti nu in het Delftse klooster. Er is ook nog een vierde zuster van 94, maar zij zit vanwege haar ouderdom en gezondheid in een verzorgingstehuis.
Zuster Goretti vindt het haar missie om in Delft de kerk bij de mensen te brengen. “Ik ga bij hen op huisbezoek en vraag ze wat ze missen in de kerk.”

Dit artikel over buitenlandse kloosterlingen in Nederland stond op 8 mei in dagblad Trouw en was tevens op de website te lezen. Zie ook de online versie.

Woonzorgservice is de toekomst voor ouderen

HEUSDEN – Ouderen uit Drunen en Heusden die niet voor het verzorgingstehuis in aanmerking komen, maar toch zorg willen krijgen, kunnen appartementen huren bij de Zandley in Drunen en het Sint Antoniushof in Heusden. Om de Nationale Week van Zorg en Welzijn te vieren lieten zij en andere zorgcentra van Stichting Schakelring belangstellenden een kijkje nemen in de appartementen.

De ballonnen bij de ingang van het Sint Antoniushof in Heusden, de poffertjeskraam in de koffiekamer en de gebakjes doen vermoeden dat het feest is vandaag. Stichting Schakelring stelt deze zaterdag haar deuren open voor het publiek, om de Nationale Week van Zorg en Welzijn te vieren. “De zorg hier is goed. Ik word nooit gecommandeerd”, zegt mevrouw Branten (88) in het Sint Antoniushof.

Eigenlijk is er voor de meeste bezoekers maar weinig reden voor een feestje. Het is de vraag of zij straks nog in het verzorgingstehuis terecht kunnen. Steeds minder mensen worden opgenomen in een verzorgingstehuis, omdat alleen nog mensen met de zwaarste vorm van zorgbehoevendheid hier recht op hebben. Ouderen met lichte zorgvragen – de zorgzwaartepakketten 1 en 2 – vallen dus buiten de boot. Het kabinet vindt dat deze mensen thuis kunnen wonen en hulp moeten krijgen van familie, vrienden en de wijkverpleegkundige. Daarom is de financiering voor ouderen met lichte zorg sinds 1 januari 2013 gestopt.

Het was de bedoeling dat deze maatregel alleen de nieuwe gevallen zou raken, maar nu blijkt een jaar later dat ook de ouderen die al in het verzorgingstehuis woonden, worden getroffen. Omdat er minder mensen in het verzorgingstehuis mogen wonen, wordt de zittende groep steeds kleiner. Hierdoor vallen overal lege plekken en in het ergste geval sluiten hele afdelingen.

Ook bij het Sint Antoniushof in Heusden kwamen kamers leeg te staan. Stichting Schakelring bouwde de lege kamers om tot huurappartementen. “We verhuren die woningen aan ouderen die wel in de beschermde omgeving van het verzorgingstehuis willen wonen, maar daar door de nieuwe zorgwetgeving niet meer voor in aanmerking komen”, vertelt Toos Pijnenburg. Ze is teamleider zorg bij het Sint Antoniushof. De ouderen die zo’n appartement huren, krijgen thuiszorg en kunnen deelnemen aan de activiteiten van het verzorgingstehuis. De ouderen betalen zelf de huur- en zorgkosten. Dit bedrag wordt dus niet meer uit de AWBZ vergoed. Voor het totaalpakket van een appartement met aparte woon- en slaapkamer, de servicekosten en het woonzorgservicepakket betaalt de cliënt een bedrag variërend van 670 euro tot 717 euro per maand. Of dat een bezwaar is voor ouderen? Pijnenburg denkt van niet. “Als zij thuis blijven wonen, moeten ze ook huur betalen.”

Met de verhuur van de appartementen gaat het echter niet zo hard. Twee zijn er sinds januari te huur, één sinds vorige week. Er heeft zich nog geen enkele huurder gemeld. “De ouderen moeten nog wennen aan het idee dat ze niet zomaar meer opgenomen worden. Ze blijven daarom langer thuis met de hulp van mantelzorg”, denkt Pijnenburg. Wat volgens haar ook meespeelt, is dat de meeste ouderen graag op de plek blijven wonen waar ze al woonden. “Er komen hier ook senioren uit Drunen naar de appartementen kijken. Als het er dan op aan komt, willen ze daar eigenlijk niet weg. Ze zijn bang dat ze minder vaak bezoek krijgen van familie en vrienden, omdat de afstand groter wordt.”

De Zandley in Drunen biedt eveneens appartementen te huur aan. Dit jaar moeten er acht worden verhuurd. Daarvan zijn er nu drie verhuurd. Aangezien de zorg verder afgebouwd wordt, moeten er de komende vier jaar 35 verhuurd worden, vertelt locatiemanager Marion van Beurden. Toch heeft zij er vertrouwen in dat ze die appartementen kwijtraakt. “We hebben een wachtlijst voor mensen met een laag zorgzwaartepakket. Zij komen niet in aanmerking voor het verzorgingstehuis, maar wel voor de appartementen.”

Meneer Hafkamp (76) uit Drunen is bij zijn vrouw op bezoek. Te voet, want hij woont om de hoek van de Zandley. Zijn vrouw woont er nu driekwartjaar en al die tijd laat meneer Hafkamp haar naar eigen zeggen met een gerust hart achter. “Hier vindt ze rust.”

Drie portretjes
Mevrouw Branten (88), woont in het Sint Antoniushof:
“Ik woon hier pas een half jaar en toch is het nu al een plek naar mijn hart. Het is hier fijn, heel huiselijk. Ik heb het naar mijn zin. Als ik ’s avonds met de andere bewoners heb gegeten en weer op sta om naar mijn kamer te gaan, zeg ik altijd tegen mijn buurman of -vrouw dat ik weer naar huis ga. Mijn kamer is mijn thuis.”

Mevrouw Couwenberg (88), bezoekster op de open dag bij Sint Antoniushof:
“Vier jaar geleden woonde ik zes weken hier toen ik net een nieuwe heup had gekregen. Vandaag ben ik hier weer, zodat ik hier straks naar toe kan mocht dat nodig zijn. Maar ik hoop nog lang thuis te kunnen wonen, ook al val ik bijna wekelijks door alle afstapjes in mijn huis. Ik werk veel te graag in de tuin om weg te gaan.”

Mevrouw Brok (91), woont in de Zandley in Drunen:
“Met Pasen woon ik hier een jaar. Vooral in het begin was het erg wennen. De stap om je normale leven voor een verzorgingstehuis in te ruilen is groot. Je raakt toch je huis kwijt. Maar de verzorging hier is goed. Alles wat ik zelf kan doen, laten ze me ook zelf doen. Dat moet ook, anders word je zo’n hopeloos geval.”

Feitenkader
– Van 10 maart tot en met 15 maart was het de Nationale Week van Zorg en Welzijn.
– Alle locaties van stichting Schakelring stelden daarom hun deuren open voor bezoekers.
– Alleen mensen met de zwaarste vorm van zorgbehoevendheid mogen nog opgenomen worden in het verzorgingstehuis.
– Onder meer de locaties in Heusden en Drunen verhuren daarom appartementen en thuiszorg aan mensen met een lichte zorgindicatie (pakket 1 en 2).

Deze reportage (met achtergronden) stond op 17 maart 2014 in het Brabants Dagblad, editie De Langstraat. 

Column Lezen – Brabants Dagblad

Lezen

En nu het licht uit! Woorden die nog door mijn hoofd galmen als ik terugdenk aan de avonden waarop mijn moeder met een flinke zwaai mijn slaapkamerdeur opengooide. Ze gebood me mijzelf niet langer aan mijn boek maar aan dromenland over te geven. Als zevenjarig meisje sputterde ik dan nog even tegen: “Maar het verhaal is zo mooi!” Zin had het niet. “Het is veel te laat. Kinderen van jouw leeftijd horen te slapen. Morgen mag je weer lezen.” Later ontdekte ik dat het slimmer was een zaklamp naast mijn kussen te leggen; dat licht was op de gang niet te zien.

Voor lezen is het nooit te laat. Ik weet nu al dat mijn kinderen later mogen lezen zolang als ze zelf willen, ook als dit minder nachtrust betekent. Op de lange termijn hebben ze meer aan een goed boek dan een uurtje langer slapen. Het baart me dan ook zorgen overal te lezen dat kleuterjuffen en -meesters amper nog tijd aan voorlezen mogen besteden. Een uur per week is al snel te veel. In plaats daarvan moeten leerkrachten zich houden aan ellenlange protocollen waarin staat dat er woorden en rekensommen moeten worden geleerd. Wie de onderzoeken er op natrekt, weet echter dat kinderen die altijd voorgelezen zijn later een bredere woordenschat hebben.

Mijn zorgen worden groter als ik terugdenk aan mijn eigen schooltijd en me realiseer dat het voorlezen – zoals dat toen zo vaak gedaan werd – voor de kinderen van nu misschien niet meer zo vanzelfsprekend is. In de kleuterklas zaten we met zijn allen in de kring, terwijl de juf een prentenboek voorlas en ieder plaatje langzaam aan alle kleuters toonde. In groep 3 viel de hele klas stil zodra de leraar Wipneus en Pim van B. van Wijckmade tevoorschijn haalde. Spannende avonturen, waardoor we de schoolbel niet eens meer hoorden. Sinds ik zelf boeken kon lezen ben ik dat altijd blijven doen. In groep 7 hield ik dan ook trots een spreekbeurt over de Kinderboekenweek. Een opvallende keuze, vond Meneer Bart die toen mijn leraar was. Het onderwerp werd zelden gekozen, zei hij. Toen vond ik dat vreemd. Nu niet meer. Het waren de beginjaren van 2000. Iedereen had net een computer. Alle spelletjes die je daarop kon spelen waren voor de meeste kinderen interessanter dan een goed boek. Ik vraag me dan ook af of Meneer Bart na mij ooit nog naar een spreekbeurt over de Kinderboekenweek geluisterd heeft.

Ik ben niet de enige die met weemoed terugdenkt aan die jaren. Kinderboekenschrijver Jacques Vriens toonde laatst nog zijn zorgen. Hij vraagt zich of kinderen straks nog weten wie Paul Biegel en Thea Beckman waren. Hij is bang dat klassiekers uit beeld verdwijnen en het in kinderboekenland steeds meer om scoren gaat.  Vriens roept dan ook op om jaarlijks een soort Nederland leest! voor kinderen te bedenken: ieder kind krijgt gratis een klassieker in de hoop dat hij of zij weer plezier in lezen krijgt. Ik kan niet anders dan me bij Vriens aansluiten en hopen dat de meesters en juffen van nu dat ook doen. Lees weer meer dan een uur per week voor, net als voorheen. Leg die protocollen maar in een donker kamertje en laat dan wèl het licht uit.

Van september 2013 tot en met september 2014 was ik columnist voor het Brabants Dagblad. Voor de onderwijspagina’s van alle edities (m.u.v. editie Tilburg) schreef ik eens in de twee maanden een onderwijsgerelateerde column. De column hierboven is, net als Rijstwafels, één van die columns die ik schreef en stond op 17 december 2013 in het Brabants Dagblad.

Vrijwilligersprijs

Nu het jaar bijna ten einde loopt, is het wel eens tijd om mensen met een groot hart in het zonnetje te zetten. Mensen die zich vrijwillig inzetten voor de mensen die het nodig hebben. In verschillende gemeentes wordt er dan ook jaarlijks een vrijwilligersprijs uitgereikt. En dat moet natuurlijk in ieder gemeente gebeuren.

Wie de prijs in Almere zal krijgen, is wel duidelijk. Grensrechter Richard Nieuwenhuizen van amateurvoetbalvereniging Buitenboys verdient de prijs als geen ander. Afgelopen zaterdag werd hij na een wedstrijd vlaggen in elkaar getrapt en geslagen door een paar onbeschofte jongens. Vervolgens overleed hij aan zijn verwondingen. Nieuwenhuizen was een geliefd persoon bij Buitenboys en was er al jarenlang te vinden als vrijwilliger, want zijn zoon voetbalt immers zelf bij de club. De mishandeling van deze onschuldige grensrechter zette me aan het denken. Mijn vader is ook al jarenlang grensrechter bij de plaatselijke voetbalvereniging. Zelfs nu mijn broertje allang gestopt is met voetballen gaat hij enthousiast door. Iedere zaterdag of zondag staat mijn vader in weer en wind te vlaggen. Ook wanneer de jongens uit zijn team menen dat hij wel wat harder mag rennen langs de lijn. Het zullen wellicht zijn minder fitte benen zijn die niet meer zo meewerken. Die tijd dat hij een jonge god was is immers voorbij. Natuurlijk vlagt mijn vader ook wel eens wedstrijden waarbij de tegenstander ontevreden is of niet tegen zijn verlies kan. Wat nou als mijn vader het slachtoffer was geweest? Verschrikkelijk. Ik denk dat jongeren – en niet alleen de voetbaljeugd – te weinig beseffen hoeveel vrijwilligers waard zijn. Dat die mensen, zoals Richard Nieuwenhuizen, in hun vrije tijd iets voor de club betekenen, dat ze het beste met de club en de leden voor hebben en daarom graag hun steentje bijdragen. De jeugd ziet het als vanzelfsprekend, maar dat is het niet.

Laten we daarom iets meer bewustzijn creëren bij de jeugdleden van sportclubs- en verenigen. In de hoop dat geen enkele familie en vereniging hoeft te doorstaan wat het gezin en de voetbalclub van Richard Nieuwenhuizen nu meemaken. Al die mensen die iets voor anderen betekenen, wat het ook moge zijn, van vrijwilliger bij een buurtvereniging tot aan grensrechter bij een voetbalclub, verdienen net een beetje meer waardering dan ze normaal al krijgen. Omdat we respect hebben voor alles wat ze voor een vereniging over hebben en betekenen voor een ander. Die mensen, stuk voor stuk, verdienen de vrijwilligersprijs.

Vrijwilligerswerk met een gouden randje

Het broertje van een vriendin van mij is een erg leuke oprechte jongen. En gehandicapt. Dat maakt hem tot wie hij is: lief en bijzonder. Hij is achttien, de leeftijd waarop je zou zeggen: oud genoeg om zelf wat extra geld te verdienen. Maar om aan een zakcentje te komen, moet je werken. Het mooie is: de jongen werkt bij de plaatselijke supermarkt in het dorp waar hij woont. Eind goed, al goed. Zou je denken. Maar zo makkelijk is het helaas niet.

Want die paar dagen in de week vakken vullen doet hij voor niets. Loonstrookjes zijn hem onbekend. Terwijl de andere vakkenvullers van zijn leeftijd wel betaald krijgen. Jongens en meisjes die hetzelfde werk doen, maar nooit de stempel ‘lichamelijk beperkt’ op zich geplakt hebben gekregen. Want het broertje van mijn vriendin is echt niet gek. Hij gedraagt zich alleen wat jonger dan hij werkelijk is. Maar voor vakken vullen, klanten helpen en een praatje met ze maken, deinst hij niet terug. De klanten kennen hem en hij kent de klanten. Mensen die, nadat ze door hem zijn geholpen, vaak met een lach de winkel verlaten. “Jongeman, kun jij misschien bij dat pak koekjes daar bovenaan?” Hij draait zich om van zijn werk. Er verschijnt een ondeugende lach op zijn gezicht en hij antwoordt: “Ja hoor mevrouw, dat kan ik wel!”, waarna hij zich weer omdraait en rustig verder gaat met zijn werk. Perplex kijkt de vrouw hem aan en dan barsten ze allebei tegelijk in lachen uit.

De jongen, inmiddels ervaren vakkenvuller, zou ook gewoon betaald moeten worden, maar dat kan niet. Hij zou graag werken om zijn brandstof voor zijn Puch te kunnen betalen, maar brandstof is geen zorg en die heeft hij wel nodig. Om niet gekort te worden op die zorg (persoonsgebonden budget), werkt hij daarom zonder loon. Want wanneer hij wel betaald werk zou doen, zouden zijn ouders minder pgb van de overheid krijgen. Maar zo simpel is het niet. Iemand die een paar uur in de week kan werken, heeft niet opeens minder zorg nodig. Dus gaat de jongen vrolijk en van niets wetend door met zijn werk. Vrijwilligerswerk met een extra gouden randje.

Deze column is tevens verschenen op http://www.stichtingmeo.nl.