Woonzorgservice is de toekomst voor ouderen

HEUSDEN – Ouderen uit Drunen en Heusden die niet voor het verzorgingstehuis in aanmerking komen, maar toch zorg willen krijgen, kunnen appartementen huren bij de Zandley in Drunen en het Sint Antoniushof in Heusden. Om de Nationale Week van Zorg en Welzijn te vieren lieten zij en andere zorgcentra van Stichting Schakelring belangstellenden een kijkje nemen in de appartementen.

De ballonnen bij de ingang van het Sint Antoniushof in Heusden, de poffertjeskraam in de koffiekamer en de gebakjes doen vermoeden dat het feest is vandaag. Stichting Schakelring stelt deze zaterdag haar deuren open voor het publiek, om de Nationale Week van Zorg en Welzijn te vieren. “De zorg hier is goed. Ik word nooit gecommandeerd”, zegt mevrouw Branten (88) in het Sint Antoniushof.

Eigenlijk is er voor de meeste bezoekers maar weinig reden voor een feestje. Het is de vraag of zij straks nog in het verzorgingstehuis terecht kunnen. Steeds minder mensen worden opgenomen in een verzorgingstehuis, omdat alleen nog mensen met de zwaarste vorm van zorgbehoevendheid hier recht op hebben. Ouderen met lichte zorgvragen – de zorgzwaartepakketten 1 en 2 – vallen dus buiten de boot. Het kabinet vindt dat deze mensen thuis kunnen wonen en hulp moeten krijgen van familie, vrienden en de wijkverpleegkundige. Daarom is de financiering voor ouderen met lichte zorg sinds 1 januari 2013 gestopt.

Het was de bedoeling dat deze maatregel alleen de nieuwe gevallen zou raken, maar nu blijkt een jaar later dat ook de ouderen die al in het verzorgingstehuis woonden, worden getroffen. Omdat er minder mensen in het verzorgingstehuis mogen wonen, wordt de zittende groep steeds kleiner. Hierdoor vallen overal lege plekken en in het ergste geval sluiten hele afdelingen.

Ook bij het Sint Antoniushof in Heusden kwamen kamers leeg te staan. Stichting Schakelring bouwde de lege kamers om tot huurappartementen. “We verhuren die woningen aan ouderen die wel in de beschermde omgeving van het verzorgingstehuis willen wonen, maar daar door de nieuwe zorgwetgeving niet meer voor in aanmerking komen”, vertelt Toos Pijnenburg. Ze is teamleider zorg bij het Sint Antoniushof. De ouderen die zo’n appartement huren, krijgen thuiszorg en kunnen deelnemen aan de activiteiten van het verzorgingstehuis. De ouderen betalen zelf de huur- en zorgkosten. Dit bedrag wordt dus niet meer uit de AWBZ vergoed. Voor het totaalpakket van een appartement met aparte woon- en slaapkamer, de servicekosten en het woonzorgservicepakket betaalt de cliënt een bedrag variërend van 670 euro tot 717 euro per maand. Of dat een bezwaar is voor ouderen? Pijnenburg denkt van niet. “Als zij thuis blijven wonen, moeten ze ook huur betalen.”

Met de verhuur van de appartementen gaat het echter niet zo hard. Twee zijn er sinds januari te huur, één sinds vorige week. Er heeft zich nog geen enkele huurder gemeld. “De ouderen moeten nog wennen aan het idee dat ze niet zomaar meer opgenomen worden. Ze blijven daarom langer thuis met de hulp van mantelzorg”, denkt Pijnenburg. Wat volgens haar ook meespeelt, is dat de meeste ouderen graag op de plek blijven wonen waar ze al woonden. “Er komen hier ook senioren uit Drunen naar de appartementen kijken. Als het er dan op aan komt, willen ze daar eigenlijk niet weg. Ze zijn bang dat ze minder vaak bezoek krijgen van familie en vrienden, omdat de afstand groter wordt.”

De Zandley in Drunen biedt eveneens appartementen te huur aan. Dit jaar moeten er acht worden verhuurd. Daarvan zijn er nu drie verhuurd. Aangezien de zorg verder afgebouwd wordt, moeten er de komende vier jaar 35 verhuurd worden, vertelt locatiemanager Marion van Beurden. Toch heeft zij er vertrouwen in dat ze die appartementen kwijtraakt. “We hebben een wachtlijst voor mensen met een laag zorgzwaartepakket. Zij komen niet in aanmerking voor het verzorgingstehuis, maar wel voor de appartementen.”

Meneer Hafkamp (76) uit Drunen is bij zijn vrouw op bezoek. Te voet, want hij woont om de hoek van de Zandley. Zijn vrouw woont er nu driekwartjaar en al die tijd laat meneer Hafkamp haar naar eigen zeggen met een gerust hart achter. “Hier vindt ze rust.”

Drie portretjes
Mevrouw Branten (88), woont in het Sint Antoniushof:
“Ik woon hier pas een half jaar en toch is het nu al een plek naar mijn hart. Het is hier fijn, heel huiselijk. Ik heb het naar mijn zin. Als ik ’s avonds met de andere bewoners heb gegeten en weer op sta om naar mijn kamer te gaan, zeg ik altijd tegen mijn buurman of -vrouw dat ik weer naar huis ga. Mijn kamer is mijn thuis.”

Mevrouw Couwenberg (88), bezoekster op de open dag bij Sint Antoniushof:
“Vier jaar geleden woonde ik zes weken hier toen ik net een nieuwe heup had gekregen. Vandaag ben ik hier weer, zodat ik hier straks naar toe kan mocht dat nodig zijn. Maar ik hoop nog lang thuis te kunnen wonen, ook al val ik bijna wekelijks door alle afstapjes in mijn huis. Ik werk veel te graag in de tuin om weg te gaan.”

Mevrouw Brok (91), woont in de Zandley in Drunen:
“Met Pasen woon ik hier een jaar. Vooral in het begin was het erg wennen. De stap om je normale leven voor een verzorgingstehuis in te ruilen is groot. Je raakt toch je huis kwijt. Maar de verzorging hier is goed. Alles wat ik zelf kan doen, laten ze me ook zelf doen. Dat moet ook, anders word je zo’n hopeloos geval.”

Feitenkader
– Van 10 maart tot en met 15 maart was het de Nationale Week van Zorg en Welzijn.
– Alle locaties van stichting Schakelring stelden daarom hun deuren open voor bezoekers.
– Alleen mensen met de zwaarste vorm van zorgbehoevendheid mogen nog opgenomen worden in het verzorgingstehuis.
– Onder meer de locaties in Heusden en Drunen verhuren daarom appartementen en thuiszorg aan mensen met een lichte zorgindicatie (pakket 1 en 2).

Deze reportage (met achtergronden) stond op 17 maart 2014 in het Brabants Dagblad, editie De Langstraat. 

Column Lezen – Brabants Dagblad

Lezen

En nu het licht uit! Woorden die nog door mijn hoofd galmen als ik terugdenk aan de avonden waarop mijn moeder met een flinke zwaai mijn slaapkamerdeur opengooide. Ze gebood me mijzelf niet langer aan mijn boek maar aan dromenland over te geven. Als zevenjarig meisje sputterde ik dan nog even tegen: “Maar het verhaal is zo mooi!” Zin had het niet. “Het is veel te laat. Kinderen van jouw leeftijd horen te slapen. Morgen mag je weer lezen.” Later ontdekte ik dat het slimmer was een zaklamp naast mijn kussen te leggen; dat licht was op de gang niet te zien.

Voor lezen is het nooit te laat. Ik weet nu al dat mijn kinderen later mogen lezen zolang als ze zelf willen, ook als dit minder nachtrust betekent. Op de lange termijn hebben ze meer aan een goed boek dan een uurtje langer slapen. Het baart me dan ook zorgen overal te lezen dat kleuterjuffen en -meesters amper nog tijd aan voorlezen mogen besteden. Een uur per week is al snel te veel. In plaats daarvan moeten leerkrachten zich houden aan ellenlange protocollen waarin staat dat er woorden en rekensommen moeten worden geleerd. Wie de onderzoeken er op natrekt, weet echter dat kinderen die altijd voorgelezen zijn later een bredere woordenschat hebben.

Mijn zorgen worden groter als ik terugdenk aan mijn eigen schooltijd en me realiseer dat het voorlezen – zoals dat toen zo vaak gedaan werd – voor de kinderen van nu misschien niet meer zo vanzelfsprekend is. In de kleuterklas zaten we met zijn allen in de kring, terwijl de juf een prentenboek voorlas en ieder plaatje langzaam aan alle kleuters toonde. In groep 3 viel de hele klas stil zodra de leraar Wipneus en Pim van B. van Wijckmade tevoorschijn haalde. Spannende avonturen, waardoor we de schoolbel niet eens meer hoorden. Sinds ik zelf boeken kon lezen ben ik dat altijd blijven doen. In groep 7 hield ik dan ook trots een spreekbeurt over de Kinderboekenweek. Een opvallende keuze, vond Meneer Bart die toen mijn leraar was. Het onderwerp werd zelden gekozen, zei hij. Toen vond ik dat vreemd. Nu niet meer. Het waren de beginjaren van 2000. Iedereen had net een computer. Alle spelletjes die je daarop kon spelen waren voor de meeste kinderen interessanter dan een goed boek. Ik vraag me dan ook af of Meneer Bart na mij ooit nog naar een spreekbeurt over de Kinderboekenweek geluisterd heeft.

Ik ben niet de enige die met weemoed terugdenkt aan die jaren. Kinderboekenschrijver Jacques Vriens toonde laatst nog zijn zorgen. Hij vraagt zich of kinderen straks nog weten wie Paul Biegel en Thea Beckman waren. Hij is bang dat klassiekers uit beeld verdwijnen en het in kinderboekenland steeds meer om scoren gaat.  Vriens roept dan ook op om jaarlijks een soort Nederland leest! voor kinderen te bedenken: ieder kind krijgt gratis een klassieker in de hoop dat hij of zij weer plezier in lezen krijgt. Ik kan niet anders dan me bij Vriens aansluiten en hopen dat de meesters en juffen van nu dat ook doen. Lees weer meer dan een uur per week voor, net als voorheen. Leg die protocollen maar in een donker kamertje en laat dan wèl het licht uit.

Van september 2013 tot en met september 2014 was ik columnist voor het Brabants Dagblad. Voor de onderwijspagina’s van alle edities (m.u.v. editie Tilburg) schreef ik eens in de twee maanden een onderwijsgerelateerde column. De column hierboven is, net als Rijstwafels, één van die columns die ik schreef en stond op 17 december 2013 in het Brabants Dagblad.

Vrijwilligersprijs

Nu het jaar bijna ten einde loopt, is het wel eens tijd om mensen met een groot hart in het zonnetje te zetten. Mensen die zich vrijwillig inzetten voor de mensen die het nodig hebben. In verschillende gemeentes wordt er dan ook jaarlijks een vrijwilligersprijs uitgereikt. En dat moet natuurlijk in ieder gemeente gebeuren.

Wie de prijs in Almere zal krijgen, is wel duidelijk. Grensrechter Richard Nieuwenhuizen van amateurvoetbalvereniging Buitenboys verdient de prijs als geen ander. Afgelopen zaterdag werd hij na een wedstrijd vlaggen in elkaar getrapt en geslagen door een paar onbeschofte jongens. Vervolgens overleed hij aan zijn verwondingen. Nieuwenhuizen was een geliefd persoon bij Buitenboys en was er al jarenlang te vinden als vrijwilliger, want zijn zoon voetbalt immers zelf bij de club. De mishandeling van deze onschuldige grensrechter zette me aan het denken. Mijn vader is ook al jarenlang grensrechter bij de plaatselijke voetbalvereniging. Zelfs nu mijn broertje allang gestopt is met voetballen gaat hij enthousiast door. Iedere zaterdag of zondag staat mijn vader in weer en wind te vlaggen. Ook wanneer de jongens uit zijn team menen dat hij wel wat harder mag rennen langs de lijn. Het zullen wellicht zijn minder fitte benen zijn die niet meer zo meewerken. Die tijd dat hij een jonge god was is immers voorbij. Natuurlijk vlagt mijn vader ook wel eens wedstrijden waarbij de tegenstander ontevreden is of niet tegen zijn verlies kan. Wat nou als mijn vader het slachtoffer was geweest? Verschrikkelijk. Ik denk dat jongeren – en niet alleen de voetbaljeugd – te weinig beseffen hoeveel vrijwilligers waard zijn. Dat die mensen, zoals Richard Nieuwenhuizen, in hun vrije tijd iets voor de club betekenen, dat ze het beste met de club en de leden voor hebben en daarom graag hun steentje bijdragen. De jeugd ziet het als vanzelfsprekend, maar dat is het niet.

Laten we daarom iets meer bewustzijn creëren bij de jeugdleden van sportclubs- en verenigen. In de hoop dat geen enkele familie en vereniging hoeft te doorstaan wat het gezin en de voetbalclub van Richard Nieuwenhuizen nu meemaken. Al die mensen die iets voor anderen betekenen, wat het ook moge zijn, van vrijwilliger bij een buurtvereniging tot aan grensrechter bij een voetbalclub, verdienen net een beetje meer waardering dan ze normaal al krijgen. Omdat we respect hebben voor alles wat ze voor een vereniging over hebben en betekenen voor een ander. Die mensen, stuk voor stuk, verdienen de vrijwilligersprijs.

Vrijwilligerswerk met een gouden randje

Het broertje van een vriendin van mij is een erg leuke oprechte jongen. En gehandicapt. Dat maakt hem tot wie hij is: lief en bijzonder. Hij is achttien, de leeftijd waarop je zou zeggen: oud genoeg om zelf wat extra geld te verdienen. Maar om aan een zakcentje te komen, moet je werken. Het mooie is: de jongen werkt bij de plaatselijke supermarkt in het dorp waar hij woont. Eind goed, al goed. Zou je denken. Maar zo makkelijk is het helaas niet.

Want die paar dagen in de week vakken vullen doet hij voor niets. Loonstrookjes zijn hem onbekend. Terwijl de andere vakkenvullers van zijn leeftijd wel betaald krijgen. Jongens en meisjes die hetzelfde werk doen, maar nooit de stempel ‘lichamelijk beperkt’ op zich geplakt hebben gekregen. Want het broertje van mijn vriendin is echt niet gek. Hij gedraagt zich alleen wat jonger dan hij werkelijk is. Maar voor vakken vullen, klanten helpen en een praatje met ze maken, deinst hij niet terug. De klanten kennen hem en hij kent de klanten. Mensen die, nadat ze door hem zijn geholpen, vaak met een lach de winkel verlaten. “Jongeman, kun jij misschien bij dat pak koekjes daar bovenaan?” Hij draait zich om van zijn werk. Er verschijnt een ondeugende lach op zijn gezicht en hij antwoordt: “Ja hoor mevrouw, dat kan ik wel!”, waarna hij zich weer omdraait en rustig verder gaat met zijn werk. Perplex kijkt de vrouw hem aan en dan barsten ze allebei tegelijk in lachen uit.

De jongen, inmiddels ervaren vakkenvuller, zou ook gewoon betaald moeten worden, maar dat kan niet. Hij zou graag werken om zijn brandstof voor zijn Puch te kunnen betalen, maar brandstof is geen zorg en die heeft hij wel nodig. Om niet gekort te worden op die zorg (persoonsgebonden budget), werkt hij daarom zonder loon. Want wanneer hij wel betaald werk zou doen, zouden zijn ouders minder pgb van de overheid krijgen. Maar zo simpel is het niet. Iemand die een paar uur in de week kan werken, heeft niet opeens minder zorg nodig. Dus gaat de jongen vrolijk en van niets wetend door met zijn werk. Vrijwilligerswerk met een extra gouden randje.

Deze column is tevens verschenen op http://www.stichtingmeo.nl.

 

Clubmoeder

Elke club of vereniging heeft zijn eigen clubmoeder. Dat is de vrouw met de liefste lach, de zachtste stem, de warmste handen en de grootste schoot. De ‘mama’ bij wie iedereen zonder problemen terecht mag en kan. Alle kinderen – van jong tot oud – zijn dol op haar. En alle ouders zijn blij met zo’n vrijwilligster.

Zo had ik zelf zo’n zes jaar lang een lievelingstrainster. Annemieke. Vroeger deed ik namelijk aan wedstrijdzwemmen. Soms fanatiek, meestal niet. Mijn lievelingstrainster wist daar alles van. Gelukkig zei ze er nooit zo veel over. Echt boos kon ze ook nooit op mij en mijn beste vriendin worden. Veel belangrijker was dat we plezier hadden in wat we deden en dat we met een lach op onze gezicht naar het zwembad kwamen. Stiekem vond ze onze streken veel te leuk.

In het zwembad waar ik drie keer in de week trainde, was het verplicht om te douchen voor je het water in ging. Dat betekende dat je na het douchen zeiknat op een bankje zat te druipen, luisterend naar de trainers die instructies gaven over welke slag en hoeveel meter we moesten zwemmen. Maar sprietjes al mijn vriendin en ik waren, hadden we het na de eerste paar minuten van zo’n uitleg al ijskoud. Dat douchen sloegen wij dan ook iedere keer gewoon over. Tot Annemieke het in de gaten kreeg. Moeders ontdekken alles. Natuurlijk. Zonder douchen kwamen we het zwembad niet meer in. Zoals echte moeder betaamt, hield ze ons dan ook in de gaten. Hadden we drogen haren, dan hadden we niet gedoucht. De oplossing was simpel: voortaan maakten mijn vriendin en ik onder de douche alleen onze haren nat. Kou lijden hoefde niet meer en een wijzende vinger van Annemieke richting de douche was ook verleden tijd.

De clubmoeder is er eentje die iedereen gelijk behandelt en die ieder kind of jongere even lief vindt. Een echte knuffelmama. Dat was Annemieke ook. Bij haar kon je altijd uithuilen, al je problemen neerleggen en niks was te gek. Ook wanneer het privé even niet lekker ging hoefde je maar te bellen en de thee stond al op de tafel nog voor je opgehangen had. Naar je eigen moeder luisteren deed je liever niet. Maar zo’n tweede moeder met al haar wijze lessen, dat was eigenlijk toch wel heel handig. Soms vraag ik me dan ook af hoe ik haar moet bedanken. En dan realiseer ik me weer dat ik zelf door moet gaan met vrijwilligerswerk. Iets betekenen voor een ander is het meest dankbare wat er is. Want als Annemieke me niet al die keren had laten verkleumen langs het bad, was ik niet die harde tante geworden die ik nu ben.

Deze column is tevens verschenen op http://www.stichtingmeo.nl.

Olympisch feestje met een beetje sport

Nog een maand en Londen zal bijna vier weken lang verlicht worden door de Olympische vlam. De hele wereld draait dan om de Engelse hoofdstad. En sport, zou je denken. Maar dat valt nog vies tegen. Vorige week was ik in Londen om samen met een vriendin, die net als ik journalistiek studeert, verslag te doen van het verhaal achter de Olympische Spelen. Het evenement draait misschien een klein beetje om sport. De rest, bijna alles dus, om geld.

De Spelen zijn voor Engeland een mooie manier om aan de wereld te tonen wat ze in huis heeft. Overal op straat hangen posters en billboards van de aankomende Zomerspelen. Iedereen mag zien hoe groots en professioneel het gaat worden. De grootste blikvangers zijn die van hoofdsponsors Mac Donalds en Coca Cola. Dat het evenement om sport zou moeten gaan, zijn de regering en het Olympisch Comité even vergeten. Frisdrank en fastfood zijn misschien niet de meest logische keuzes, maar wel een makkelijke manier voor de regering om geld te verdienen. De Olympische Spelen lijken een politiek spelletje te worden, terwijl het zou moeten draaien om het verbinden van mensen en sport.

Zo worden de Spelen van Londen ook gepresenteerd. Toch is het tegendeel waar. De achtergestelde, vervallen wijk East End in het oosten van Londen, zou het centrum van de Spelen worden. Er werd een luxe Olympisch Park uit de grond gestampt, het Stratford Stadium, wat goed zou zijn voor de werkgelegenheid onder de lokale bevolking . Later bleek dat de meeste banen allang ingevuld waren door de werknemers van de ingehuurde bedrijven. De voornamelijk Indiaase en Pakistaanse bewoners van East End zitten nu nog steeds zonder werk. Daarnaast hebben ze nog een terechte reden tot onvrede. De route van de Olympische marathon zou door hun wijk lopen en de finish zou het Stratford Stadium zijn. Ook aan die belofte hebben de hoge piefen van het sportevenement zich niet gehouden. Volgens hen zou de marathon te grote verkeerschaos teweeg brengen. De marathonrenners zullen daarom finishen bij Buckingham Palace. Inderdaad: in het rijke westen van Londen.

Engeland heeft nog meer trucjes bedacht om aan de wereld te tonen wat ze allemaal kan. De beveiliging is dan ook extra goed geregeld. Tijdens de Spelen lopen er meer troepen op straat rond dan er op dat moment in Afghanistan zitten. In de buurt van het Stratford Stadium staan raketwerpers klaar én alle politieagenten dragen straks een geweer, terwijl ze dat op gewone dagen ook niet hoeven. Bangmakerij, vinden veel Londenaren. De meesten van hen zeggen tijdens de Spelen de stad te verlaten. Gelijk hebben ze. Een feestje dat alleen van de elite is, is geen echt feestje.

Deze column is tevens verschenen in De Wijkkrant te Waalwijk van zondag 1 juli 2012.

Onbeschaafdheid in de politiek

Ongevraagd vrouwen in boerka’s filmen, dit filmpje op YouTube en Facebook zetten, voorzien van de begeleidende tekst: ‘tuig uit de islamitische zandbak’. Sam van Rooy deed het. Wie? Sam van Rooy. Je kent hem niet? Je bent niet de enige. Tot zaterdagmiddag kende niemand hem. Vroeger was deze Vlaming een profwielrenner in België, maar tegenwoordig is Sam van Rooy beleidsmedewerker bij de PVV, mijn zéér geliefde Partij voor de Vrijheid. Ahum. Hij is geen Kamerlid of zelfs fractievoorzitter, nee hoor, ‘gewoon’ een medewerker. Maar wel een brutale medewerker.

In het filmpje is eigenlijk maar weinig te zien. Je ziet hoe Van Rooy in een winkelcentrum in Scheveningen de vrouwen in boerka volgt en hen filmt. Ondertussen wordt er niet gesproken met elkaar. Vervolgens heeft hij het filmpje op YouTube geplaatst. De titel luidt: ‘Scheveningen anno 2011: kiemen van achterlijkheid’. Daar bleef het echter niet bij. Hij zette het filmpje ook op zijn Facebookpagina en schreef erbij: ‘Opeens kwam dat tuig langslopen. Dus besloot ik ze maar gelijk te filmen. Of moet ik het normaal vinden dat mijn rust in Scheveningen wordt verpest door dat soort geïmporteerde achterlijkheid van de islamitische zandbak?’

Asociaal, onfatsoenlijk en onbeleefd, dat is het. Zoiets doe je niet. Waar gaat het heen met onze beschaving, vraag ik me dan af. Die vrouwen vielen niemand lastig, ze waren alleen maar aan het winkelen, zoals ieder ander daar zijn tijd mee vult. En dan kun je, zoals Sam van Rooy en de rest van de PVV, nog wel zeggen dat je niet iets hebt tegen individuele moslims, maar wel tegen de Islam als ‘politieke religie’, dat is nog geen vrijbrief om ongevraagd onschuldige moslimvrouwen te filmen en deze beelden op internet te verspreiden voorzien van onbeschaafd commentaar. Zeker niet als je een voorbeeldfunctie hebt naar de rest van de maatschappij. Wanneer je beleidsmedewerker bij een politieke partij bent, dan heb je dat. Meneer Van Rooy, u moet zich schamen.

Gelukkig kwam diezelfde zaterdag de mededeling dat de PVV Sam van Rooy op non-actief had gesteld: ‘We hebben de heer Van Rooy direct op non-actief gezet. Dit filmpje gaat ons veel te ver. Het is jammer dat deze vrouwen boerka’s dragen en we zien graag een boerkaverbod, maar deze vrouwen zijn geen tuig. We betreuren de gang van zaken zeer,’ aldus de PVV. Toch zorgde dit nog steeds voor ontevreden geluiden. Men was lichtelijk verbaasd, dergelijke uitspraken door PVV’ers zijn immers ‘normaal’ geworden. Bij sommigen rees ook de vraag: waarom wordt Van Rooy meteen op non-actief gesteld en kan Geert Wilders wel alles zeggen wat hij wil? Geert is vaak genoeg beledigend bezig met zijn uitspraken, maar nog altijd fractievoorzitter van de PVV, zonder ook maar één keer geschorst te zijn. Ik vind het volkomen terecht dat Van Rooy geschorst is. Zouden ze bij Geert ook eens moeten doen, misschien bindt hij dan eindelijk eens in. Tot die tijd zal ik maar gewoon moeten blijven accepteren dat we van die gekken in en rondom onze Tweede Kamer hebben zitten.

Amai, Sammeke dan toch, spring nu maar snel op je wielrenfiets – daar was je ooit wél goed in – en haast je naar België. De politiek daar wacht met smart op je.