De taal van de mensenrechten

Zij en ik, we zijn zo verschillend als appels en peren. Men zegt dat je die twee niet moet vergelijken, maar laat ik dat nu toch gewoon doen. Zij heeft blond haar, ik heb bruin haar. Zij werkt in de financiële wereld, ik sprokkel schrijf- en communicatieklussen bij elkaar en rond daarnaast mijn master in de religiewetenschappen af. Zij houdt van controle, ik ben impulsief. Zij is gelovig en leeft daarnaar. Ik geloof niet. Wat we dan delen? Onze jarenlange vriendschap. Onze bewondering voor elkaar.

Het is juist dat anders-zijn wat onze vriendschap zo mooi maakt. We leren van elkaar, laten elkaar op nieuwe manieren naar zaken kijken, omdat we in veel situaties simpelweg verschillend handelen. Nog mooier is het dat we elkaar regelmatig vertellen hoe leerzaam die tegenstellingen zijn en hoeveel waarde we hechten aan de vaak onverwachte adviezen die we de ander geven.

Het liefst zou ik niet alleen aan die vriendin, maar aan de hele wereld vertellen hoe leerzaam het is dat we allemaal anders zijn. Noem me idealist. Maar het is toch o zo simpel dat we – juist met al die verschillen – ook zo hetzelfde zijn. We zijn allemaal mensen. Dus moeten we erkennen dat het niet erg is dat iedereen anders is. Want ondanks al die prachtige verschillen zijn we gelijk. Ik ben niet de enige die dat vind. De vriendin waarmee ik deze blog begon, zou het zo in de Bijbel aan kunnen wijzen. In Johannes 13:34 staat immers te lezen:

“Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.”

En de boeddhisten zullen zich baseren op het volgende gezegde van Boeddha:

“Just as a mother protects her child with her own life, in a similar way we should extend an unlimited heart to all beings.”

Of, zoals de bekende socioloog Jürgen Habermas het zo treffend typeert in Religion and Rationality: Essays on Reason, God, and Modernity (2002):

“Notwithstanding their European origins, … in Asia, Africa, and South America, human rights now constitute the only language in which the opponents and victims of murderous regimes and civil wars can raise their voices against violence, repression, and persecution, against injuries to their human dignity.”

Habermas zegt hier dat de taal van de mensenrechten de morele lingua franca is geworden, vanwege haar wereldwijde moraal. Desondanks wordt die taal vandaag de dag steeds minder gesproken. Het Nederlandse kabinet is alleen maar rechtser geworden, vluchtelingen zijn voor velen een last, we moeten vooral zo hoog mogelijk opgeleid zijn en moslims moeten zich altijd maar verantwoorden. Een hand of een deken toereiken is niet meer vanzelfsprekend. Voor het erkennen van verschillen geldt hetzelfde. In plaats daarvan lijkt het veroordelen van het anders-zijn een makkelijke uitweg om onder bepaalde verantwoordelijkheden uit te komen, die van het opkomen en zorgen voor elkaar. Maar gelovig of niet, het is onze morele plicht naar de ander toe. Als mens. Als ‘die ander’. Voor de ander. Uit liefde en uit moraliteit.

Deze column verscheen eerder op forumc.nl, een instituut voor geloof, wetenschap en samenleving. Deze organisatie organiseerde op 6 februari in de Rode Hoed het debat ‘Een kwestie van beschaving’, waarin het publiek naar vijf pijlers voor de beschaving zoch. Dat ging ze gemakkelijk af. Het werden er zelfs acht. Eén daarvan was Erkenning van verschilen, waarover deze column gaat. 

Aan tafel met alle religies

Het moet iets zijn geweest als ‘zegen deze maaltijd’, maar dan in het Hebreeuws. Deze zegening sprak ik een week of twee geleden uit toen ik op uitnodiging van een joodse vriendin een sjabbatviering met bijbehorende maaltijd bijwoonde in een synagoge in Utrecht. Een paar dagen later had ik een werkoverleg bij ForumC, waar ik stageloop, met hieraan voorafgaand een lunch. Ook toen werden de broodjes zalm gezegend, nu door mijn christelijke collega’s. De rest van die week kwam ik aan tafel in mijn eigen huis niet verder dan ‘eet smakelijk’, saaie agnost die ik ben.

Het zette me aan het denken. Niet over een eigen zegening. Daar worden mijn culinaire kunsten vast niet ineens nog beter van. Wel over hoe mooi het is dat je in een week tijd van het ene geloof in het andere kunt vallen en ondertussen mag zeggen dat je zelf niet weet of die God – wie dat ook mag zijn – wel bestaat. Of kán bestaan. Het maakt ook niet uit. Hier in Nederland kennen we gelukkig vrijheid van (on)geloof, vastgelegd in het zesde artikel van onze Grondwet: Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

“Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”

Deze vrijheid hoort in mijn ogen bij beschaving. Het gaat om elkaar vrijlaten en elkaars overtuiging accepteren. Ook als iemand geen overtuiging heeft. Een wet die we pas sinds 1983 in zijn huidige vorm kennen: toen werd het processieverbod voor de katholieke kerk ook boven de rivieren afgeschaft. Deze afschaffing kwam er veel te laat, zou je het mij of de bekende Nederlandse Verlichtingsfilosoof Spinoza vragen. In 1670 pleitte hij in zijn Theologisch-Politiek Traktaat immers al voor de volledige vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid. Want, zo was zijn idee, religieuze groeperingen vertonen anders onredelijk gedrag, omdat hun fanatieke dogma’s indruisen tegen de redelijke wetten van de staat. En dat kan niet, vond Spinoza, aangezien het onderscheid tussen de menselijke wet en de goddelijke wet slechts schijn is.

Zijn Engelse tijdgenoot John Locke, ook filosoof, schreef in zijn Brief over tolerantie uit 1689 dat geloof door geen enkele overheid en kerk kan worden afgedwongen en dat iedereen dus de vrijheid heeft zelf zijn kerk te kiezen.

“Deze verdeeldheid [in kerken] nu waarborgt eenieder de vrijheid om in die kerk te treden die hij zelf verkiest. (…) De kerk moet al zijn volgelingen herinneren aan de plichten van vrede en welwillendheid tegenover alle mensen. (…) Zij heeft de plicht om ze aan te sporen tot liefde, zachtmoedigheid en tolerantie.”

En toch, wanneer ik aan tafel zou zitten met Spinoza en Locke, zouden we nog voor het dessert in een hevige discussie belanden over die verdraagzaamheid. Want hoe komt het dat vrijheid van religie momenteel voor veel mensen een probleem is? Neem Wilders die met zijn partij zelfs een hele religie wil verbannen. Wil Locke mij überhaupt wel te woord staan? Volgens hem zou ik, als iemand die geen religie aanhangt, een bedreiging zijn voor het publieke belang. Wie geen angst voor het hiernamaals heeft, predikt Locke, zal zich alleen aan de door het volk gekozen regels houden als hem dit goed uitkomt. Op die manier schijn ik de politieke orde te ondermijnen.

Een staatsbedreiging, zo had ik mezelf nog niet eerder gezien. Liever zit ik dan ook aan tafel met de protestantse dominee die ik laatst sprak over tolerantie en moslims in Nederland. De islam heeft dezelfde wortels, zei hij, verwijzend naar Abraham, Mozes en Jezus. Maar ook de herkomst ligt net als het christendom in het Midden-Oosten. Dit maakt beide religies verwant. Hij voegde eraan toe dat het christendom eeuwen nodig had om in West-Europa te landen. De dominee begreep dan ook niet dat veel mensen verwachten dat moslims vaak al binnen één of twee generaties in Nederland aarden. Dat kan niet en daar moeten we volgens hem rekening mee houden. Want, zo sloot hij zijn betoog af, het christendom heeft onze cultuur mee gevormd, maar dat geeft het christendom slechts een voorsprong. Zeker geen voorrang.

Precies. Graag nodig ik dan ook mijn joodse vriendin, mijn christelijke collega’s en iedereen – met welke overtuiging dan ook – uit om met ons mee te eten. Omdat je de maaltijd niet vaak genoeg op verschillende manieren kan zegenen. Omdat ook verdraagzaamheid door de maag gaat.

Deze column verscheen eerder op forumc.nl, een instituut voor geloof, wetenschap en samenleving. Deze organisatie organiseerde op 6 februari in de Rode Hoed het debat ‘Een kwestie van beschaving’, waarin het publiek naar vijf pijlers voor de beschaving zoch. Dat ging ze gemakkelijk af. Het werden er zelfs acht. Eén daarvan was Vrijheid van (on)geloof, waarover deze column gaat. 

‘Ze willen mij als voormalig dakloze overal hebben’

Dat je ook voor de straat kunt kiezen, omdat je van de vrijheid geniet en je jezelf gevangen voelt in een huis, weten de meeste mensen niet. Met zijn persoonlijke ervaringen hoopt voormalig dak- en thuisloze Leo van Kampen het stigma van ‘de zwerver’ te kunnen doorbreken. Hij volgt hiervoor een cursus bij het Utrechtse Imagoproject, dat voorlichting biedt over dak- en thuisloos zijn.

Door Daphne van Breemen

“Ik moet eigenlijk nog drie cursuslessen volgen, maar ze kunnen me dat certificaat nu al wel geven!” Voormalig dak- en thuisloze Leo van Kampen (63) uit Utrecht lacht trots tijdens zijn gastles aan zestien geneeskundestudenten en een farmaciestudent. Zij lachen met hem mee. “Ja, want ik kom overal hoor!”, voegt Leo eraan toe. “Sinds ik deze cursus tot ervaringsdeskundige volg, wil iedereen me hebben. Scholen, dokters, bewindvoerders en zelfs RTV Utrecht heeft een filmpje bij mij thuis gemaakt. Dat sloeg in als een bom!”

Levensverhaal opschrijven
Sinds anderhalf jaar heeft Leo een eigen huis. Ook al kwamen in het begin de muren op hem af, nu kan Leo niet meer zonder zijn paleis, zoals hij zelf zegt. De Tussenvoorziening adviseerde hem zijn levensverhaal digitaal op te tekenen. Dat deed hij, tot zijn computer kapot ging. Toen kwam Leo bij Fred van de Ridder terecht, die intussen zijn begeleider is. Fred knapte voor hem een laptop op en zei dat hij eens kennis moest maken met iemand van het Imagoproject, waarbij Fred zelf coach is.

Beleid veranderen
Via dit Imagoproject, dat voorlichting biedt over dak- en thuisloosheid en de achtergronden van cliënten, vertelt Leo zijn levensverhaal aan studenten, beleidsmakers, bewindspersonen en artsen. Niet om een zielig verhaal te verkondigen of om de vooroordelen over dak- en thuislozen te bevestigen. In tegendeel. Hij wil de ogen van de beleidsmakers en bewindspersonen openen. “De gemeente zegt bijvoorbeeld: ‘We gaan je helpen’, maar dat doen ze niet”, legt hij aan de zaal uit. Een student steekt zijn vinger op: “Wat moet de gemeente dan doen?” “Beloftes nakomen”, antwoordt Leo beslist. “Sommige daklozen worden uit opvangtehuizen geschorst, omdat ze roken of drinken. Ze moeten dan vier dagen wegblijven. Daarmee maak je het erger. Práát met ze, vraag waarom ze roken of drinken.” Een ander voorbeeld is nalatigheid. “Bewindspersonen zeggen toe dat ze op een bepaalde dag geld naar me overmaken, kijk ik op mijn rekening: staat er niets bij. Dan bel ik en moet ik horen dat er iets fout is gegaan. Dat moeten ze mij meteen laten weten.”

Kapotte benen
Als een studente Leo vraagt wat hem zo aansprak aan het leven op straat, antwoordt hij ‘dat als het aan hem had gelegen, hij daar nog steeds liep’. Hij wijst naar buiten: “Zoals nu, lekker in het zonnetje! Iedere dag is anders; daar hield ik van.” Het was Leo’s slechte gezondheid die hem dwong het straatleven op te zeggen. “Mijn benen waren kapot van al het lopen. Ik heb 37 jaar gezworven. Ik had drie zwarte tenen en dat ging bijna door tot aan mijn knie.” Via de Utrechtse Tussenvoorziening, die opvang, woon- en financiële begeleiding biedt aan kwetsbare mensen, kwam Leo bij de dokter terecht. “Ik bleek suikerziekte te hebben. Mijn been moest er bijna af, maar gelukkig herstelde dat. Om het niet nog eens zo ver te laten komen, had ik een huis nodig.” De Tussenvoorziening hielp hem daarbij.

Advies geven
Noemde Leo het Imagoproject voor hij eraan begon nog een hele opgave – “Ik ben al over de zestig hè”, intussen is hij blij met de voordelen. Hij praat voor hele groepen, heeft zijn levensverhaal leren schrijven en het mooiste van alles volgens hem: hij helpt nu anderen met zijn ervaringen. Neem de lichamelijke kwalen. “Ik ga wekelijks naar een Bijbelgroep en daar zitten ook mensen met zwarte voeten. Tegen hen zei ik dat ze naar de dokter moeten die mij zo goed hielp.”

Gewone mensen
Voor de artsen in spé, die in de toekomst wellicht ook dak- en thuislozen zullen behandelen, heeft Leo nog een speciale boodschap. “Het zijn gewone mensen en zo moet je ook met ze omgaan”, verzekert hij. “Tuurlijk, sommige zijn vies en eten uit prullenbakken, maar dat zijn er maar een paar.” De meeste dak- en thuislozen zijn juist diegenen die tussen wal en schip vallen: door de crisis zijn ze hun baan en hun huis kwijtgeraakt en daardoor op straat terechtgekomen. Dan heb je nog de mensen die zelf voor de vrijheid van de straat kiezen. “Die lopen er keurig bij, zoals ik deed.” Ook dit is een stigma dat het Imagoproject wil doorbreken. “Niet alle daklozen zijn verslaafd. Ik ben er een voorbeeld van. Ik rook niet, drink niet en gebruik geen drugs. Dat is nieuw voor de meeste mensen.”

Leo mag dan over de zestig zijn, een droom heeft hij nog wel. “Ik wil dak- en thuislozen van de straat af helpen.”

Dit artikel verscheen op vrijdag 20 mei 2016 in Straatnieuws, de daklozenkrant van Utrecht.

Raadhuis

Koninklijk bezoek in Waalwijk hoeven we niet zo snel te verwachten, maar niemand minder dan Sinterklaas logeert al drie jaar op rij in ons historische schoenmakersstadje in de Langstraat. En denk maar niet dat de Sint op meer plekken in de buurt logeert. Nee nee, hij verkiest Waalwijk boven vele andere Brabantse plaatsen. Volgens Francesco van het Kunstencentrum in Waalwijk bedient het Huis van Waalwijk, waar de Sint straks negen dagen heeft gezeteld, heel Midden-Brabant.

Wie zegt dat er in Waalwijk niks te doen is op het gebied van cultuur, heeft het dus wéér mis. Kijk alleen al naar vanavond. Maar daar gaat het nu niet om. We hebben hoog bezoek en daar wordt door het Kunstencentrum, de bibliotheek, de gemeente en de decormaker van toneelvereniging OOG goed voor gezorgd. Zeg dus niet dat de culturele instellingen in Waalwijk de handen niet ineen steken.

Het ontbreekt die beste Spanjaard aan helemaal niets. Een tweepersoonsbed voor hem alleen. Tenzij de Sint stiekem de zoveelste bisschop is die er een avontuurtje op nahoudt. Er is een keuken waar de Pieten pepernoten bakken, er is een kunstenkamer waar alle tekeningen van de kinderen hangen en een heuse postkamer waar de Postpiet alle verlanglijstjes sorteert. Alle kinderen en hun ouders mogen langskomen om zelf te zien wat Sinterklaas nou de hele dag doet. Sint die je de hand schudt en de tijd voor je heeft, dat wil toch ieder kind?

Ja, over het oude raadhuis van Waalwijk hoeven we ons geen zorgen te maken, daar floreert cultuur. De sint als logé en de succesvolle tentoonstellingen de afgelopen maanden over Waalwijk in de sixties en RKC laten dat al zien. Kropholler zou trots zijn.
Een ander verhaal is het oude raadhuis van Sprang-Capelle. Daar werden regelmatig succesvolle tentoonstellingen gehouden door de heemkundevereniging, maar nu zijn er plannen om van het karakteristieke gemeentehuis appartementen en een horecagelegenheid te maken. Het enige historische wat overeind blijft is de voorgevel. Daar moet een man achter zitten, denk ik dan, zo’n eentje die bij een mooie vrouw ook alleen oog heeft voor haar voorgevel. En ja hoor, wie de krant openslaat, leest dat projectontwikkelaar Erik Faro het oude raadhuis heeft gekocht.

Ik stel de beste man voor om een van de weinige culturele gebouwen in Sprang-Capelle, op alle kerken na, in leven te houden en er geen horecagelegenheid in te plaatsen, maar eens te gaan praten met de mensen van het Huis van Waalwijk. Zij kunnen vertellen hoe historie niet verloren gaat. Ik durf te wedden dat het bestuur van de kerken, de heemkundevereniging en veel Sprang-Capellenaren er ook zo over denken. Ben je dan nog niet overtuigd, vraag dan de Sint eens te logeren.

Winst

Ach, zo gezellig, dat kleine Waalwijk aan de Maas, met de Efteling om de hoek, de 80 van de Langstraat, dat ons kneuterige plaatsje het eerste weekend van deze maand weer op zijn kop zette, ’s lands beste slager zetelt hier en niemand minder dan minister Bussenmaker pronkt met schoenen uit onze SLEM-3D-printer. Hopelijk draait dat ding dankzij de onderwijsminister straks overuren. Alsof het niet gekker kan, krijgt ons gezellige Waalwijk nu ook nog een soap. Een echte soap. Van de KNVB. Die wordt uitgezonden.

De voetbalbond gaat het damesteam van WSC volgen, omdat ze van de 18 wedstrijden geen enkele keer scoorden. Geen goede tijden. Het team kent alleen slechte tijden met 324 doelpunten tegen. 324. Maar het plezier van de voetballende vrouwen wordt er niet minder om. Dat kunnen we straks zelf aanschouwen. Zitten we van de Meerdijk tot aan Zanddonk met zijn allen gezellig voor de buis. Trots dat Waalwijk ook eens wordt opgemerkt. Dat we in het nieuws zijn. Dat er over ons wordt gepraat. Vraag je aan zo’n vaste kijker uit een uithoek van het land straks wat de Waalwijkse cultuur is, antwoordt ie: schoenen uit een 3D-printer en vrouwen die niet kunnen voetballen.

 

Liever zie ik dat het getal 324 over iets heel anders gaat. Niet over doelpunten, maar over mensen. Dat de gemeenteraad hard met de vuist op tafel slaat – tot rondvliegende houtsplinters aan toe – en zegt: we hebben plek voor 324 vluchtelingen hier in Waalwijk. Dát is pas scoren. Het klinkt al zoveel beter dan die schamele 43 vluchtelingen die sinds vanmiddag drie dagen in sporthal De Slagen verblijven voor noodopvang. Dan komen we niet in het nieuws omdat het zo gezellig is in Waalwijk of omdat de beste slager hier zijn vlees verkoopt, maar omdat we een soort tweede Nijmegen zijn dat misschien geen 3000 vluchtelingen op kan nemen, maar wel een tiende daarvan. Het grootste deel hiervan past in De Slagen. De rest kan in de oude Walewyc dat leegstaat. Burgemeester en wethouders, hoort u mij?

Waalwijk moet op de kaart komen, omdat we tolerant zijn. Ook dat is cultuur. Cultuur en beschaving gaan immers hand in hand, toch? En cultuur ontwikkelt zich door zich open te stellen voor de buitenwereld, het vreemde. We kunnen in Waalwijk op dat gebied nu een voorbeeld zijn voor andere gemeentes en dorpen. Omdat de bewoners hier wél weten wat een warm welkom is. Wél klaarstaan om de hulp te bieden die de mensen nodig hebben. Allemaal doen we iets. Dáár zouden ze een soap van moeten maken. Zet er maar camera’s op, zoveel mogelijk. Het schijnt dat vluchtelingen de tijd graag doorkomen met een potje voetbal. Misschien kunnen zij het damesteam van WSC dan leren hoe je doelpunten maakt. Dan voorspel ik dubbele winst.

Deze column las ik op vrijdag 25 september voor tijdens Club d’Hivers, een talkshow die laat zien wat er op cultureel en kunstzinnig gebied allemaal in De Langstraat te doen is. Club d’ Hivers wordt iedere laatste vrijdag van de maand in het Waalwijkse Atelier Winterdijk30b gehouden. Wees welkom! (Gratis!)

Brug voor natuurgebieden is kosten waard

KAATSHEUVEL – Ecoduct De Westloonse Wissel bij Kaatsheuvel was gisteren te bezichtigen voor het publiek tijdens een open dag. De meesten bezoekers zien de brug als een goed project dat wat mag kosten, omdat het de natuur dient.

Door Daphne van Breemen

Met een fototoestel om zijn nek maakt René van Bebber (65) uit Tilburg verschillende foto’s van de natuurbrug die over de Midden-Brabantweg (N261) tussen Tilburg en Waalwijk loopt en de natuurgebieden Loonse en Drunense Duinen en landgoed Huis ter Heide verbindt. “Ik rijd hier regelmatig onderdoor en was altijd al nieuwsgierig naar wat de brug inhoudt”, zegt Van Bebber. “Dit is mijn enige kans.”

Want vanaf maandag is het ecoduct gesloten voor publiek. Ook al is de veertig meter brede brug nog niet af – volgens Natuurmonumenten gaat dit nog zo’n zes weken duren – de groepjes belangstellenden lopen af en aan naar boven de brug op, die nu nog een zandbak is. Medewerkers van Natuurmonumenten, de provincie en aannemer BAMN261NonStop vertellen tijdens de weg ernaartoe over de historie van het gebied, de bouw van de natuurbrug en over de dieren die er gebruik van gaan maken. Van de kosten, die tussen de zes en acht miljoen euro liggen, weten de meeste mensen niets af. Maar Van Bebber vindt dat de natuurbrug dit bedrag waard is. “In heel Nederland wordt meer asfalt gelegd. Het is goed dat de natuur haar deel nu terugkrijgt.”

De Westloonse Wissel moet ervoor zorgen dat dieren als reeën, dassen en insecten gemakkelijk van het ene naar het andere gebied kunnen lopen en vliegen. “Dit om de populaties te vergroten”, zegt ecoloog en vrijwilliger van Natuurmonumenten Vivian Mans. “Zonder de brug blijven de dieren geïsoleerd op één plek, omdat ze vanwege het verkeer niet over kunnen steken.”

Carla van Abelen (67) uit Loon op Zand, die op landgoed Huis ter Heide woont, heeft daar haar twijfels over. “Ik woon hier al zo lang en als er in een maand drie nachten een ree heeft rondgelopen, is dat veel. Acht miljoen euro voor deze brug vind ik daarom overdreven. Mijn man en ik vragen ons af of de kosten afwegen tegen de baten. Volgens mij was een raster langs de weg genoeg geweest.”

De realisatie wordt door Perry Ammerlaan (48) uit Kaatsheuvel toegejuicht. “Er moet naast het verkeer ook rekening worden gehouden met de verbinding van natuurgebieden. Dat mag wat kosten. Ik zie liever deze brug dan een functieloos kunstwerk langs de weg.” Janneke de Vries (40) en Sander Hemerijckx (36) maken zich niet zo druk om het bedrag. “Een gewone brug kost net zo veel. En naar het ecoduct zal ongetwijfeld goed onderzoek zijn gedaan.” Dat de brug dertig jaar geleden met de aanleg van de N261 niet al is gebouwd, speelt voor hen een grotere rol. “Dat is erg voor de natuur.”

Dit bericht verscheen tevens in het Brabants Dagblad van maandag 15 juni 2015, editie De Langstraat. 

‘Ik wil iets terug doen voor slachtoffers van de aardbeving in Nepal’

WAALWIJK – De 25-jarige Anouk van Geffen uit Drunen hield gisteravond in Atelier Winterdijk 30b een lezing over haar ervaringen in Nepal van voor en na de aardbeving om mensen bewust te maken van de hulp die nodig is.

Door Daphne van Breemen

“We waren op een vrijmarkt van onze organisatie SPAK, School of Performing Arts Kathmandu, toen de grond ineens onder onze voeten begon te trillen. Je weet niet wat je meemaakt. De grond is iets vanzelfsprekends, die staat stil. Ineens golfde die zo hard “, omschrijft Van Geffen de beving.

Ze was op die bewuste 25 april net een paar dagen in de hoofdstad Kathmandu, samen met drie studiegenoten van de opleiding Theatermanagement van de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht (HKU), toen de ramp het gebied trof. Omdat het er niet veilig was – een nieuwe aardbeving dreigde, er was nauwelijks eten en drinken en de kans op ziekten nam toe – besloten de docenten van de HKU dat het viertal zo snel mogelijk terug naar Nederland moest komen. Na een nacht noodgedwongen slapen op straat, gingen Van Geffen en haar studiegenoten de volgende dag naar het vliegveld. Daar brachten ze twee nachten door voor op Schiphol landden. “Dat is dubbel. Je laat al die mensen achter die niet naar veilig gebied kunnen. Maar blijven ging ook niet. Je kunt niks doen en je drinkt van hun water en eet van hun eten.”

De beving, die een kracht van 7,8 op de Schaal van Richter had, verwoestte complete dorpen in de bergen en maakten de steden tot grote puinhopen. Vanwege die grote schade zamelt Van Geffen nu geld in voor de wederopbouw van het getroffen gebied. Met de lezing hoopt ze de aanwezigen ervan te kunnen overtuigen hoe belangrijk hulp is. Het regenseizoen breekt aan, waardoor de geïmproviseerde huizen waarin de mensen nu wonen, straks niet genoeg bescherming bieden. Van Geffen laat een foto van zo’n ‘huis’ zien. “Het is niet waterdicht, beschermt niet tegen wilde dieren en insecten en bij een volgende beving stort het volledig in.”

Deze studiereis was Van Geffens tweede keer in Nepal en net als de eerste keer had ze de mensen weer in haar hart gesloten. “Die dagen voor de beving zijn we zo goed geholpen. Mijn doel is om de mensen nu iets terug te geven.” Mensen kunnen via Facebook contact opnemen met Van Geffen of geld storten op haar rekening. Ze zorgt er dan voor dat het bedrag bij de School of Performing Arts Kathmandu terechtkomt. Deze Nederlandse organisatie geeft de getroffen kinderen muziektherapie om hun trauma te verwerken. Ook zorgt ze ervoor dat het geld naar haar Nepalese vrienden en gastgezin gaat. “Een simpel huis kost vijfhonderd euro, maar dat stort bij een beving in. Er is meer nodig voor een stevig huis dat blijft staan.”

Dit artikel verscheen tevens in het Brabants Dagblad van 3 juni 2015, editie De Langstraat.

DJEMM!’s ‘Proost!’ is letterlijk feest van herkenning

WAALWIJK – Jongerenmusicalgroep DJEMM! stond dit weekend drie keer op de planken van theater De Leest met hun voorstelling ‘Proost!’. Het Brabants Dagblad was er zaterdag bij.

“Mijn naam is Tim de Bruin en ik ben 21 jaar. Ik ben jarig op 28 november. Vandaag is het 28 november. En zoals elk jaar is er vanavond een surpriseparty”, dat zijn de eerste woorden van hoofdrolspeler Timon Klerx, die daarmee meteen de zaal het verhaal in trekt. Ook de rest van de avond houdt Klerx de ogen van het publiek strak op zich gericht, soms met kippenvel tot gevolg. Op Tim’s feestje stellen zijn zussen en vrienden zich één voor één aan de zaal voor, wat nieuwsgierig maakt naar wie zij – op die paar woorden na – verder zijn.

Naarmate de musical vordert, wordt dat duidelijk. Iedereen in de zaal herkent zich wel in de personen en de situaties. Zo is er het stel met relatieproblemen, het meisje dat teveel drinkt en de simpele, zeg maar gerust ordinaire Samantha, met haar blonde haar en panterprintjurkje. Ze wordt overtuigend gespeeld door Jamie Boertien. Een beetje cliché is het wel, maar het publiek kan hard om haar schaamteloze kauwgomgesmak lachen.

De verjaardag van Tim komt telkens opnieuw terug en steeds zijn er diezelfde vrienden met hun eigen problemen. Als dit na een tijdje voorspelbaar wordt en de vraag waar dit heengaat boven komt drijven, neemt het verhaal een andere wending. Er is dan nog maar weinig reden om te proosten. Tim is depressief en heeft genoeg van zijn vrienden, die nauwelijks oog voor hem hebben. Deze diepgang komt op het juiste moment. Een fijne afwisseling in het repertoire van DJEMM!: na de musicals ‘VET’ vorig jaar en ‘Moulin Rouge’ in 2012, is het na deze luchtige, vrolijke voorstellingen tijd voor iets heel anders. Een uitstapje naar de serieuze zaken van het leven, vertolkt in een frisse uitvoering. Zoals DJEMM in 2009 ook al eens deed met de musical ‘Lenteprikkels’, gebaseerd op Broadway’s bekende musical ‘Spring Awakening’, waarin een groep jongeren zichzelf en hun seksualiteit ontdekken aan het eind van de negentiende eeuw (1891).

Wanneer Tim een pokeravondje heeft met zijn vrienden, gespeeld door Jessy Hooijmaijers, Robin Smits, Jimmy Hooijmaijers, Luc Verboven en Jalil Somford, lijkt alles weer goed te zijn. Met een eigen versie van Dotan’s hit ‘Home’ zingen zij ‘We komen thuis hier’. Een moment dat niet lang genoeg kan duren. Als publiek zit je bijna bij hen aan tafel en is het lastig om niet met je voeten mee te bewegen op de maat, zoals de heren doen. Een goede zet van regisseuse en choreografe Aukje van de Wiel, die ook het script schreef. Het live-orkest onder leiding van Ruud Verkoeijen maakt het tafereel af.

Het is DJEMM! zoals Waalwijk DJEMM! kent: energiek en geloofwaardig. Om met de woorden van Tim en zijn vrienden te spreken: het publiek kwam thuis in De Leest.

Deze recensie stond op maandag 6 oktober in het Brabants Dagblad, editie De Langstraat.

Import houdt het klooster jong – Trouw

Tientallen Nederlandse kloosters openen zaterdag hun deuren. De bewoners komen steeds vaker uit het buitenland.

In het kloosterleven in Nederland is een ommekeer gaande. Werden vroeger Nederlandse paters en zusters uitgezonden naar Latijns-Amerika, Azië en Afrika, nu komen kloosterlingen uit die werelddelen naar hier. Hun aantal is in zeven jaar tijd zelfs verdubbeld.

In de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw bouwden Nederlanders nog kerken op in Latijns-Amerika, Azië en Afrika. Driekwart van alle katholieken woonde in Noord-Amerika en Europa, het andere deel in de missielanden. Eind twintigste eeuw was dit beeld totaal gekanteld: 65 procent van de katholieken leefde toen in Latijns-Amerika, Azië en Afrika en nog maar 35 procent in Noord-Amerika en Europa.

Deze verandering is het gevolg van de secularisatie en de vergrijzing in het Noorden. “Hier verkeert het religieuze leven in een crisis”, zegt Gerard Moorman van de Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR). “Er zijn weinig intredingen en de kloosters vergrijzen.”

Opvallende ontwikkeling
Uit cijfers van de KNR, de overkoepelende organisatie van kloosters in Nederland, blijkt dat er in 2012 zo’n 340 buitenlandse kloosterlingen in Nederland werkzaam waren. In 2011 waren dat er nog 274 en in 2006, toen de eerste telling werd gedaan, nog 180. Officiële cijfers voor 2013 zijn er nog niet, maar de KNR gaat uit van 350. Al zijn het er waarschijnlijk meer. Moorman: “De getallen zijn niet absoluut, omdat we de komst van nieuwe buitenlandse religieuzen niet altijd doorkrijgen van de verschillende orden en congregaties.” Maar dat er een opvallende ontwikkeling gaande is, is duidelijk. “350 buitenlandse religieuzen afgezet tegen de zesduizend Nederlandse kloosterlingen die er hier nog zijn, laat zien dat het aantal internationalen procentueel gezien groeit.”

Dat er steeds meer internationale religieuzen naar Nederland komen, heeft volgens Moorman verschillende redenen, die al in de vorige eeuw beginnen. De eerste lichting bestond uit bestuursleden van ordes en congregaties, waarvan het generale bestuur in Nederland zetelde. De tweede groep komt sinds de jaren negentig om hier als missionaris te gaan werken. Dat kan zorg voor ouderen, daklozen en gedetineerden betekenen, maar ook het verzorgen van zieke medebroeders of -zusters.

Geen buitenlandse religieuzen
Kloosters in stand houden of Nederlandse katholieken weer de kerkbanken in krijgen wordt doorgaans niet van de buitenlandse religieuzen verwacht. Hun Nederlandse broeders en zusters vinden dat niet per se nodig. Gerard Moorman: “De Nederlandse kloosterlingen vinden dat zij hun werk hebben gedaan en dat je taken makkelijk door leken uit kunt laten voeren. Je hoeft daarvoor geen buitenlandse religieuzen naar hier te halen.”

Wel hopen de Nederlanders dat hun buitenlandse broeders en zusters contacten kunnen leggen met jongeren. Moorman: “De internationale kloosterlingen zijn vaak rond de dertig, veertig. Bijna de helft jonger dan hun Nederlandse collega’s. Zij zouden de jongeren dus beter begrijpen.”

Moorman ziet nog een andere taak weggelegd voor de buitenlandse religieuzen: allochtone christenen helpen hier in te burgeren. “Veertig procent van de migranten in Nederland is christen. Als migranten moeten zij inburgeren. Samen kunnen ze de ervaring van een leven opbouwen in een nieuw land met elkaar delen.”

Open Kloosterdag
Zaterdag is de zesde editie van de Open Kloosterdag, georganiseerd door de Konferentie Nederlandse Religieuzen. Ruim dertig kloosters, van Assel tot Zenderen, openen hun deuren. Zie voor de lijst van deelnemende kloosters: www.openkloosterdag.nl

‘Ik wil iets betekenen voor de medemens’
Ze vond ‘Olanda’, zoals Nederland in Brazilië heet, altijd al een bijzondere naam. Maar zuster Lucia Schnekemberg (49) wist niets van het land. Daar kwam verandering in toen zij tijdens haar tijd in het Braziliaanse klooster een boekje over het protestantisme in Nederland kreeg. “Als katholiek voelde ik dat mijn missie hier in Nederland lag”, vertelt zuster Lucia in het klooster van de Heilige Maria Magdalena Postel in Vleuten. Ze was 30 toen er in 1994 bij de Braziliaanse provincie van deze congregatie een brief uit Nederland kwam: het Vleutense klooster zocht versterking van een jonge zuster. Zuster Lucia ging meteen.
Ze kwam terecht bij negen zusters die allemaal bijna zestig waren. “Ik voelde mij er meteen thuis, ondanks de leeftijd en de paar woordjes Nederlands die ik sprak.” Missiewerk, dat is waarvoor zuster Lucia is gekomen. “Ik wil iets betekenen voor de medemens.” Ze zorgt voor de voedselinzameling voor de voedselbank, promoot het misdienaarwerk en ze zit in de zogeheten Parochie Support Groep. Als ze tijd over heeft, promoot zuster Lucia de kerk via Facebook en Twitter. “Dan bereik je meer mensen.”

‘Wat is dat toch met die pollen in Nederland’
De congregatie Het Gezelschap van het Goddelijk Woord (SVD) is over de hele wereld te vinden en heeft zelfs verschillende afdelingen in Nederland, maar toch wilde de Nederlandse missionarissen er een communiteit bij hebben. Zo kwam pater Klemens Hayon (45) twee jaar geleden vanuit Nieuwegein in Duivendrecht terecht. “We hadden als eerste SVD’ers een missieproject met de lokale kerk hier. Voor die tijd was de SVD niet in Duivendrecht te vinden.”
Hayon kwam op zijn 32ste vanuit Indonesië bij de SVD in Nieuwegein terecht. Het liefst was hij naar Brazilië gegaan, maar het bestuur in Rome bepaalde dat het Nederland werd, want “Nederland is een echt missieland geworden”, verklaart Hayon. “Waar ik ook naar toe gestuurd word, overal is mijn missie. Daar ben ik missionaris voor.” Hij hier is actief in de daklozenopvang en praat met drugsverslaafden en anderen die het moeilijk hebben, om op die manier iets voor hen te kunnen betekenen. Daarnaast begeleidt hij Indonesische katholieken in Nederland.
Hoewel hij hier gewend is, is het ieder jaar weer is het hetzelfde liedje. Dan loopt pater Hayon met hooikoorts rond. “Ik weet niet wat dat is hier met die pollen. Maar in Indonesië is het overal stoffig en daar heb ik nergens last van.”

Bidden met studenten
Broeder Jan Maria (31) kwam vorig najaar in Nederland aan. Hij heeft een Frans klooster ingeruild voor het Utrechtse klooster van de Broeders van Sint Jan, omdat hij hier in Nederland twee jaar stage loopt. Jan Maria komt eigenlijk uit Slowakije, maar daar zit geen congregatie van de Familie van Sint Jan, daarom ging hij naar Frankrijk. Het valt Maria op dat de mensen in Nederland in elkaar geïnteresseerd zijn. “Neem Slowakije, dat land was jarenlang communistisch. Niemand kon erin en niemand kon eruit. Dat heeft de mensen gesloten gemaakt. Ze zitten thuis met hun familie en dat is hun leven.”

Toen hij hier vorig jaar kwam, was hij misschien een vreemdeling “en zo voelde ik me ook door de taalbarrière”, maar de mensen waren wel nieuwsgierig. “Iedereen die ik tegenkwam toonde interesse. Ik praatte veel met de mensen uit de parochie.” Juist daar kwam Maria erachter hoe lastig de taal is als je hier nog maar net bent. “De mensen namen me in vertrouwen en vertelden me van alles, ook gezondheidsproblemen. Ik had geen idee wat ze bedoelden, ook niet als ze het vijf keer herhaalden.”
Eén van Maria’s doelen is het betrekken van Utrechtse studenten bij de kerk. Iedere week komt hij met een groepje samen. “Dan bidden we en discussiëren we over het geloof.”

De kerk naar de mensen brengen
In mei is ze vijftig jaar zuster. Een halve eeuw waarin het bed van zuster Maria Goretti (71) in vier kloosters stond. Eén in Canada, één in Amerika en twee in Nederland. Allemaal bij dezelfde, van oorsprong Nederlandse congregatie: de Dominicanessen van Bethanië. Zuster Goretti kwam in 1975, ze was toen 33, vanuit Chicago naar het Brabantse Teteringen.
Zes jaar geleden wilde het bestuur van de Dominicanessen van Bethanië een nieuw huis stichten. Ze dachten aan Delft, want dat is een levendige studentenstad. “We wilden er zijn voor de mensen, zodat ze met ons konden bidden en praten. Mensen die het moeilijk hebben moeten ons weten te vinden.”
Samen met twee andere zusters – ook begin zeventig – woont zuster Goretti nu in het Delftse klooster. Er is ook nog een vierde zuster van 94, maar zij zit vanwege haar ouderdom en gezondheid in een verzorgingstehuis.
Zuster Goretti vindt het haar missie om in Delft de kerk bij de mensen te brengen. “Ik ga bij hen op huisbezoek en vraag ze wat ze missen in de kerk.”

Dit artikel over buitenlandse kloosterlingen in Nederland stond op 8 mei in dagblad Trouw en was tevens op de website te lezen. Zie ook de online versie.