Altijd al gewild: marketing en PR

Als typisch kind van de generatie Y wil ook ik mijn carrièrekansen altijd vergroten. Tijdens mijn studie journalistiek – een eeuwigheid geleden – leek het me al logisch om me ooit te ontwikkelen op het gebied van marketing en PR. Schrijven kan ik, een verhaal vertellen ook en contacten en relaties onderhouden doe ik dagelijks: drie dingen die je moet kunnen voor marketing en PR. Bovenstaande probeerde ik te combineren met mijn fascinatie voor religie.

Zo kwam ik in april 2018 terecht bij Museum Ons’ Lieve Heer op Solder in Amsterdam, waar ik onderwijsmarketing ging doen. De plek zelf is (gelukkig!) veel minder suf dan de naam doet vermoeden. Aan de hand van een bijzondere, roze huiskerk uit de Gouden Eeuw vertellen we onze bezoekers over tolerantie. Toen, én nu. Bijvoorbeeld met moderne kunst in nieuwe, tijdelijke tentoonstellingen.

Nu is daar een nieuwe functie bijgekomen. Vanaf vandaag doe ik ook de PR in het museum. Ik schrijf persberichten, onderhoud contact met de media en denk na over hoe we dingen naar buiten brengen.

Je hoeft me maar een beetje te kennen om te weten hoe blij ik ben met deze uitbreiding op mijn cv. In deze nieuwe functie kan ik mijn liefde voor schrijven, media en religie verbinden en ik ben ook nog eens actief in de culturele wereld: win-win. Welkom in de wereld van marketing én PR!


Foto zolderkerk: Isabel Janssen, Outsider.i.

Interview: ‘Veel gelovige LHBT’ers hebben angst voor verstoting uit hun gemeente’

Religie, LHBTQAI en feminisme gaan prima samen, maar hoe ziet dat er dan uit? Een vraag waar momenteel veel over wordt gediscussieerd. Nieuw Wij praat hierover met verschillende mensen in een serie interviews. Vandaag een gesprek met Stijn van der Woude (1993): christelijk, homoseksueel en predikant in opleiding. “In de kerk zoek ik de balans tussen vasthouden aan tradities en openstaan voor de moderne wereld, waarin LHBT’ers welkom zijn.”

Door Daphne van Breemen – verschenen op 24 november 2017 op NieuwWij.

Je rekent jezelf tot de LHBTQAI-gemeenschap, waarin plaats is voor iedereen die zichzelf niet per se tot heteroseksueel of tot een bepaalde gendervorm rekent. Jij identificeert je het meest met christelijke homo- en biseksuelen, lesbiennes en transgenders onder hen. Waarom?

“Ik ben zelf homoseksueel en christelijk. Daarom vind ik het interessant om mij vanuit persoonlijke ervaringen en een theologisch-pastorale interesse in te zetten voor deze doelgroep. Naar mijn idee is een belangrijke boodschap van mijn geloof: kom voor je medemens op! Aangezien ik zelf weet hoe lastig het kan zijn om je seksualiteit met je geloof te verenigen en wat voor problemen daarbij spelen, wil ik het beeld over christelijke LHBT’ers rechtzetten. Ik verdiepte me in deze doelgroep tijdens mijn stage bij LHBT-dominee Wielie Elhorst, die vorig jaar door de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) officieel werd aangesteld als eerste Nederlandse dominee voor homo’s, lesbiennes, biseksuelen, transgenders en alles daartussenin. Een goede zet van de PKN! Ik voerde tijdens die stage veel pastorale gesprekken met de meestal gelovige LHBT’ers en ik schreef mee aan een handreiking voor pastorale zorg aan gelovige transgenders. Daarnaast zijn Wielie en ik bezig met een praktisch boek over hoe kerken ‘roze vieringen’ kunnen organiseren.”

Wat is je tijdens die stage het meest opgevallen?

“Ik ben in ieder geval één probleem tegengekomen waar veel (gelovige) LHBT’ers bang voor zijn of mee worstelen: angst voor verstoting uit hun gemeente en leefomgeving. Gelukkig worden veel LHBT’ers wel gewoon geaccepteerd, maar ik denk dat er ook veel LHBT’ers zijn die wel eens een situatie hebben meegemaakt waarin ze twijfelden over hoe open ze konden zijn over hun geaardheid. Zeker in kerkelijke gemeentes ligt veroordeling gewoon snel op de loer. Soms door onbegrip, soms ook door een bepaalde interpretatie van de Bijbel. Voor gelovige LHBT’ers komt daar hun relatie met God natuurlijk nog bij, waarin ze om moeten gaan met een grote, zeer moeilijke discussie. Er is dus continue spanning tussen henzelf, de buitenwereld en God.
Los daarvan heeft de hele LHBTQAI-gemeenschap te maken met maatschappelijke spanningen omtrent dit thema. Neem bijvoorbeeld de mensen die zeggen homo’s ‘niet erg’ te vinden, maar terloops wel opmerken dat ze ‘niet aan me moeten komen’. Er is dus een verschil tussen tolereren en accepteren, ook in ons ‘tolerante’ Nederland.”

Hoe zorg je ervoor dat deze christenen in het reine komen met zichzelf en de Bijbel?

“Veel christenen die met hun geaardheid worstelen hebben last van mensen die hen veroordelen door middel van een letterlijke interpretatie van de Bijbel. Ze verwijzen vaak naar Leviticus, waarin geschreven staat dat mannen niet het bed met mannen mogen delen, zoals ze dat met een vrouw doen. Ook het bekende verhaal in Genesis, over Sodom en Gomorra, wordt er vaak bijgehaald. De standaard interpretatie hiervan is dat het om homoseksuele excessen gaat. Máár… wie goed leest kan ook ontdekken dat Sodom en Gomorra tevens over verkrachting gaat. Waarom hoor je daar nooit iemand over? Waarom wordt verkrachting niet erger gevonden? Het is maar net met welke bril je wil kijken.
Je moet echter wel kritisch blijven. Als je de brontalen en verschillende Bijbelvertalingen bekijkt, zie je bijvoorbeeld veel verschillen en nuances, en is een verbod op homoseksualiteit niet per se logisch. In het gesprek met zowel tegenstanders van LHBT’ers als de LHBT’ers zelf, wijs ik hen hierop en probeer ik de dialoog gaande te houden. LHBT’ers willen vanuit hun geaardheid natuurlijk niet een lezing van de Bijbel hebben die hun gevoelens veroordeelt.”

Hoe ging dat bij jou persoonlijk?

“Ik heb zelf, zeker in het begin van mijn studie, ook veel onderzoek gedaan naar al die verschillende interpretaties. Voor mijzelf was het belangrijk dat ik mij tegenover God kon verantwoorden en dat is gelukkig gelukt. De Bijbel, en zeker alle passages die bepaalde geaardheden ‘veroordelen’, zijn alleen zo makkelijk op die manier te lezen als je dat wil. Ze staan in een hele specifieke culturele context, die niet zo makkelijk te vergelijken is met onze 21ste eeuwse situatie. Neem bijvoorbeeld Leviticus en Genesis, daarin wordt wel over seksueel contact gesproken, maar niet over een liefdesrelatie.”

Dus als seks plaatsvindt binnen een liefdesrelatie, dan mag het?

“Ja, ik vind dat je seksualiteit moet kunnen beleven als je dat wil. Alles wat tussen twee mensen in de setting van een liefdevolle relatie gebeurt, zal God denk ik niet verbieden. Daarbij is het natuurlijk wel van belang dat je je eigen grenzen bewaakt, want scharrelen zie ik hierbij als iets anders dan een daadwerkelijke liefdesrelatie. Alhoewel bij beide gevallen natuurlijk sprake kan zijn van liefde. Seksualiteit is nou eenmaal een groot deel van iemands identiteit. Of je deze nu praktiseert of niet.
Natuurlijk kun je zeggen dat ik met mijn roze bril op de Bijbel lees, maar we lezen allemaal door een specifieke bril. Mensen die vinden dat bepaalde geaardheden niet samengaan met de Bijbel, willen vaak niet toegeven dat er ook een andere interpretatie is. Als ze al met een bevooroordeelde bril op de Bijbel lezen, dan krijgen ze natuurlijk bevestiging dat het niet mag. Maar lees je met een roze bril, dan krijg je bevestiging dat het wel mag. Een definitieve en uniforme lezing is er daarom niet, maar een beetje liefde en begrip naar je medemens kunnen natuurlijk nooit kwaad.”

Nemen de mensen die LHBT’ers veroordelen zo’n nieuwe interpretatie dan ook mee in hun oordeel?

“Het is niet altijd aan mij om mensen te veranderen. Als iemand erbij blijft dat je het woord van God niet mag veranderen of van waarde mag ontdoen, dan zullen ze altijd weer uitkomen bij waar ze begonnen: het mag niet.”

Welke worsteling heb je zelf meegemaakt?

“Aan het eind van de basisschool realiseerde ik me: goh, ik kijk wel anders naar jongens dan naar meisjes. Rond mijn vijftiende of zestiende ben ik hiermee naar buiten gekomen. Dat ging gelukkig prima, hoewel het ook wel eens onwennig was. Mijn ouders accepteerden het gelukkig. Rond die tijd ontstond ook mijn interesse voor religie als fenomeen en later voor het christendom in het bijzonder. Uiteindelijk heb ik me op mijn achttiende laten dopen in de hervormde PKN-kerk in Almelo. Ik ben niet christelijk opgevoed, maar mijn ouders vonden de richting die ik op wilde gaan geen probleem. Ze vinden het ook heel leuk dat ik predikant wil worden. Het past erg goed bij mijn karakter, zeggen ze.”

In welke kerk zit je momenteel en voel je je daar thuis?

“Ik ga naar de Domkerk in Utrecht. Daar komen toevallig veel LHBT’ers naartoe. Maar dat is niet de enige reden waarom ik me in deze gemeente thuis voel. Ik vind met name de muziek en de liturgie, waar in de Domkerk veel aandacht voor is, erg mooi. Ik hoop dan ook dat als ik straks als gemeentepredikant aan de slag ga, dit in een kerk is met een pluriforme gemeenschap, waarin ook de balans is tussen het vasthouden aan tradities en de openheid voor de moderne wereld. LHBT’ers moeten zich daar gewoon welkom kunnen voelen.”

Zijn er naast de letterlijke Bijbelinterpretaties nog andere problemen waar je je tegen verzet?

“Er zijn verschillende vooroordelen die problematisch zijn. Zo hoor ik vaak dat homoseksuele mannen losbandig zijn. Een ander probleem is dat wanneer mensen over de gehele LHBTQAI-gemeenschap spreken dit heel vaak wordt gereduceerd tot homoseksuele mannen. Maar transgenders, bijvoorbeeld, maken ook onderdeel uit van deze groep. Die komen nu wel steeds meer onder de aandacht, maar worden vaak toch niet genoemd als het over dit onderwerp gaat. Tegelijkertijd heb ik soms ook moeite met de naam ‘LHBTQAI’. Aan de ene kant is het benoemen wel goed, omdat je daarmee de personen in een discussie wat duidelijker neerzet. Aan de andere kant plaats je mensen weer in een hokje en voor je gevoel soms ook wel ‘tegenover de heteroseksuele meerderheid’. De paradox is dat we het hokjesdenken willen doorbreken, maar met een eigen benaming maken we toch weer gebruik van een hokje.”

Wat is een beter alternatief?

“Ik ben heel blij met de term ‘cisgender’. Je bent cisgender als je jezelf identificeert met het lichaam waarin je geboren bent. Dit kan dus voor zowel hetero’s als LHBT’ers gelden. Zo zie ik mezelf ook: ik ben een homoseksuele man en ik voel me een man. Het voordeel van de term is denk ik dat het duidelijk wordt dat transgenders niet verschillen van wat ‘normaal’ is, maar dat het niet vanzelfsprekend is dat lichamelijk geslacht en gender samenvallen. Vergelijk het met homoseksuelen als afwijkend van de ‘heteroseksuele norm’. Je kunt natuurlijk zeggen: heteroseksualiteit is ook maar een geaardheid!”

Hoe kan het publieke debat volgens jou nog meer worden beïnvloed?

“Zelf probeer ik in de collegezaal en via Facebook de discussie te voeren en mensen bewust te maken. Al is dat, zeker via sociale media, wel lastig. Mensen reageren vaak met veel emotie op wat je zegt. Soms lijkt het wel eens dat ik tegen een muur sta te praten. Daarom zie ik ook een grote taak voor de politiek weggelegd. Juist de christelijke politici kunnen iets betekenen voor de kerk. Zij bereiken een groot deel van de christenen en kunnen zo de dialoog voeren. Maar ja, het opkomen voor LHBTQAI’ers ligt voor hen dan weer gevoelig. Een groot deel van hun achterban accepteert dat niet. Er is moed voor nodig. Andersom is echter ook het geval: de mensen in de kerk beïnvloeden eveneens de christelijke politici. Ook voor de individuele christen ligt er dus een taak.”

Wie is Stijn van der Woude?

Stijn van der Woude (1993) woont in Zeist. Hij studeert in Amsterdam waar hij de master Gemeentepredikant aan de Protestants Theologische Universiteit (PThU) volgt. Daarnaast rondt hij de master Spiritual Care aan de Vrije Universiteit in Amsterdam af. Hiervoor onderzoekt hij de meningsverschillen die er zijn op het gebied van liefde, vriendschap en seks(ualiteit) tussen homoseksuele, lesbische, biseksuele en heteroseksuele christenen. Eerder rondde hij zijn bachelor theologie aan de Universiteit Utrecht af. Via zijn studies, sociale media en via nevenactiviteiten zet Stijn zich in voor de rechten en acceptatie van LHBT’ers.

Foto Stijn: Stijn van der Woude (eigen archief).

Interview: ‘Het debat zou moeten gaan over de economische zelfstandigheid van moslimvrouwen’

Religie, LHBTQAI+ en feminisme gaan prima samen, maar hoe ziet dat er dan uit? Een vraag waar momenteel veel over wordt gediscussieerd. In een nieuwe reeks op Nieuw Wij interviewen we verschillende opvallende mensen over dit thema. Vandaag een gesprek met Berna Toprak (1990), moslima en feminist. “Het debat zou nu juist moeten gaan over de economische zelfstandigheid van moslimvrouwen of het geweld tegen hen.”

Door Daphne van Breemen – verschenen op 18 september 2017 op NieuwWij.

Je noemt jezelf moslimfeminist. Wat houdt dat volgens jou in?

“Mijn moslimfeminisme en activisme zijn twee kanten die niet los van elkaar staan. Enerzijds gaat het om het doorbreken van het stereotiepe beeld van islamitische vrouwen: zij zouden weinig autonomie hebben en supertraditioneel zijn. Anderzijds wil ik de ogen van institutionele organisaties openen.
De meeste instituten – binnen de islam en bij andere religies – leunen op mannen. Zij zorgden voor de productie van kennis en hebben nog steeds de macht. Dit is van invloed op de manier waarop wij de islam en andere religies vandaag de dag betekenis geven. Het zijn vaak de mannen die voor de vrouwen bepalen hoe zij het geloof moeten beleven.”

Hoe verander je dat?

“Ik wil dat er vanuit het perspectief van de vrouw wordt gekeken: hoe geven vrouwen betekenis aan hun religiositeit? Religieuze vrouwen kunnen ook kennis overdragen. Mannen vragen zich af of een vrouw wel in staat is om religieuze teksten te interpreteren, zoals de Koran en de Hadith, de overleveringen over het leven van Mohammed. Maar als ik als vrouw alleen wijze lessen kan halen uit het leven van mannelijke profeten, dan houdt het snel op voor mij. Ik wil weten hoe islamitische vrouwen toen leefden, maar ook wat zij nu zeggen, daarvan wil ik leren.”

Wanneer werd je feminist en welke weg legde je daarvoor af?

“Ik denk dat ik een jaar of twaalf of dertien was. Ik zat in elk geval in de brugklas en ik droeg toen ook al een hoofddoek. Dit was vlak na de aanslagen van 11 september in New York, waardoor ik voortdurend vragen kreeg over de islam en de positie van vrouwen. Hiervoor moest ik me altijd verantwoorden.
In tegenstelling tot wat velen dachten, namelijk dat ik als hoofddoekdragende vrouw vast werd benadeeld in mijn identiteit, vond ik dat zelf niet per se het geval. Natuurlijk wist ik wel dat vrouwen niet hetzelfde werden behandeld, maar ik vond dat dit niet alleen iets islamitisch was of dat het alleen aan de hoofddoek lag. Door de denigrerende opmerkingen die ik op school kreeg ging ik me meer verdiepen in de islam en ook op zoek naar vrouwelijke rolmodellen. Zowel thuis als in de moskee voerde ik hier veel gesprekken over. Ik kon me verweren met voorbeelden van sterke vrouwen uit de islamitische geschiedenis.”

Zaten je ouders en familie wel op dat verweer te wachten?

“Ja, mijn ouders en ik zaten vaak op dezelfde lijn. Een mooi voorbeeld is dat mijn moeder wilde gaan studeren aan de PABO. Ze gaf les in de moskee en wilde dit graag op een pedagogisch goede manier doen en dus een certificaat halen. Haar broers, mijn ooms, vonden dit geen goed idee. Mijn moeder had drie kinderen en ze moest toch gewoon thuis bij hen blijven? Ze gaf al les, wat maakte dat diploma dan uit? Maar mijn vader en ik steunden mijn moeder juist in haar keuze.
De vrouwen van de Mohammed, Khadija en Aïsha, hebben allebei gestudeerd ten tijde van de profeet. Waarom zouden vrouwen dat nu niet kunnen dan? Mijn moeder heeft toen toch de PABO gedaan en het diploma gehaald. Tijdens die studie en haar stages kreeg ze wel steeds te maken met de vooroordelen over moslima’s. Maar mijn moeder weigerde zich te conformeren aan de hokjes die anderen haar voorhielden; ze gaf zelf vorm aan haar hokje. Hierdoor ervoer niet alleen mijn familie – maar ook de moskee waar zij lesgaf en de basisschool waar ze ging werken – hoeveel het oplevert als vrouwen een actieve rol spelen. Mijn moeder was een bruggenbouwer en een belangrijk rolmodel voor mij.”

Hoe draag jij je feminisme sindsdien uit?

“Ik doe mee aan debatten, panels en ik werk voor WOMEN Inc. Daarnaast heb ik workshops gegeven aan vooraanstaande leden van de Nederlands-Turkse gemeenschap over hoe om te gaan met geweld tegen islamitische LHBTQAI’ers in diezelfde gemeenschap. Tijdens deze workshops haalde ik samen met een imam verschillende Koranteksten aan, waaruit je kunt opmaken dat geweld tegen deze groep ongegrond is. De Koran spreekt zich immers duidelijk uit over het schenden van mensenrechten: dit is niet toegestaan. Schendt iemand een mensenrecht, dan staan daarop duidelijke straffen.
Ik spreek me dan ook altijd uit tegen deze en andere mensenrechtenschendingen. Wordt iemand onrecht aangedaan op basis van zijn seksualiteit, dan zeg ik daar iets van. Ook voer ik veel gesprekken met vrienden en familie en ik probeer altijd vragen van mensen te beantwoorden. Een veelgestelde vraag is bijvoorbeeld of feminisme en islam wel samengaan. Alleen al het stellen van die vraag reproduceert de aanname dat moslimvrouwen enkel slachtoffers zijn en dat vrouwenonderdrukking essentieel is aan de islam. Moslima’s zijn niet alleen hun religie.”

Vind je dat je namens een groep spreekt?

“Ik wil niet namens een hele groep moslimvrouwen spreken, maar vooral namens mezelf. En als ik naar de actualiteit kijk, dan denk ik dat het idee dat vrouwen meer dan hun religie zijn nog niet overal is doorgedrongen. Als het over de moslima gaat, dan is het bijna altijd in combinatie met haar kleding. Het gaat over de boerkini of de hoofddoek, maar dat is de keuzevrijheid van de vrouw. Ongelijkheid zit ‘m niet in een hoofddoek, vind ik. Het debat zou daarom niet over kleding moeten gaan, maar over dingen die er echt toe doen: de economische zelfstandigheid van moslimvrouwen bijvoorbeeld, of het geweld tegen hen. Die zaken vind ik veel belangrijker. Zo heeft het Meldpunt Islamofobie onlangs gemonitord dat negentig procent van de meldingen die zij kreeg afkomstig was van vrouwen, die in de meeste gevallen zichtbaar moslim zijn en een vorm van bedekking dragen.
Dus ik kan mijn hoofddoek wel afzetten, zodat ik niet meer te maken heb met geweld, maar dan heb ik als vrouw – los van mijn geloof – nog steeds te maken met zaken als ongelijke beloning of onbetaalde arbeid.”

Hoe ga je het beeld over moslima’s veranderen?

“Ik vind dat je religie onderdeel moet maken van de emancipatiestrijd. Zorg ervoor dat vrouwen meer macht krijgen in religieuze instituten. Waarom zijn er wel quota voor meer vrouwelijke hoogleraren op universiteiten en meer vrouwelijke bestuurders in het bedrijfsleven, maar niet voor het aantal vrouwelijke bestuurders in religieuze organisaties.
Naast werk en wetenschap is ook religie een onderdeel van het leven van vrouwen. Vrouwenorganisaties moeten zich hiermee bezighouden. Want in alle lagen van de samenleving vind je ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Het is leuk dat wat betreft die gelijkheid alles op je werk of op de universiteit dan goed is geregeld, maar dit moet ook in de kerk of de moskee het geval zijn.
Tevens moeten vrouwenorganisaties islamofobie serieus nemen. De rol van religie wordt vaak vergeten als het om feminisme in Nederland gaat. Er wordt vanuit een seculier gedachtegoed gekeken: religie zou een persoonlijke zaak zijn en geen invloed hebben. Maar dit is voor veel vrouwen niet waar. Religie is een groot onderdeel van hun leven.”

Kunnen echt alleen vrouwenorganisaties iets doen?

“Nee, de media zouden moslima’s vaker een podium moeten geven. Zij zijn ook onderdeel van deze maatschappij. Laat ze aan het woord over allerlei zaken. Zeker als het gaat over moslimvrouwen, want er wordt nog teveel óver hen gepraat in plaats van met hen. Als je een item over mode hebt bijvoorbeeld, interview dan eens een islamitische fashionista en vraag haar vervolgens naar haar kennis over het onderwerp in plaats van naar haar religieuze achtergrond. Of interview een moslima die heel goed taarten kan bakken en duizenden volgers op Instagram heeft als het om influencers gaat. Als moslimvrouwen aan het woord komen over hun kennis of hun dagelijks leven zien mensen zelf dat een moslima meer is dan een vrouw die in hun ogen wordt onderdrukt. Zo wordt dat verkeerde beeld hopelijk ontkracht.”

En de moslima’s zelf dan? Hebben zij niet ook een rol in het veranderen van de beeldvorming?

“Ik zou tegen hen willen zeggen: wees vooral niet te bang om jezelf te zijn en zichtbaar te zijn. Spreek je uit en laat van je horen. Ga met familie, vrienden en mensen daarbuiten het gesprek aan over jouw ervaringen, waar je tegenaan loopt of juist wat jou inspireert. Beantwoord vragen. Sociale media zijn een goede manier om op te vallen. Bijvoorbeeld door middel van Twitter, of in Facebookgroepen die over feminisme gaan.”

Wat is er tot slot nog meer belangrijk op het gebied van feminisme?

“Feminisme draait om de ervaringen van vrouwen. Religie en huidskleur zijn daar een onderdeel van, maar ook opleiding, leeftijd, afkomst en ga zo maar door. Ik kan nog honderd andere dingen opnoemen die bijdragen aan de ervaringen van vrouwen. Als we opkomen voor vrouwen moeten we dus voor álle vrouwen opkomen, niet alleen voor één groep, en daardoor andere groepen vergeten. Neem bijvoorbeeld degenen die met islamofobie te maken hebben. Vanwege hun hoofddoek zijn zij erg kwetsbaar en dus snel slachtoffer van islamofobie. Het is aan vrouwenbewegingen om dit te erkennen en hier iets mee te doen. Het gaat om de veiligheid en keuzevrijheid van alle vrouwen. Punt.”

Wie is Berna Toprak?

Berna Toprak (1990) werd geboren in Dordrecht en woont nu in Utrecht. Momenteel rondt ze de researchmaster Gender & Ethnicity aan de Universiteit Utrecht af. Daarnaast spreekt ze regelmatig over haar feminisme. Zo sprak ze eerder in De Balie over wat het presidentschap van Donald Trump met haar als moslimfeminist doet en onlangs nog was ze te horen tijdens De Staat van God in de Stadsschouwburg van Amsterdam. Toprak werkt bij WOMEN Inc. in Amsterdam.

Foto: Berna Toprak (eigen archief).

De taal van de mensenrechten

Zij en ik, we zijn zo verschillend als appels en peren. Men zegt dat je die twee niet moet vergelijken, maar laat ik dat nu toch gewoon doen. Zij heeft blond haar, ik heb bruin haar. Zij werkt in de financiële wereld, ik sprokkel schrijf- en communicatieklussen bij elkaar en rond daarnaast mijn master in de religiewetenschappen af. Zij houdt van controle, ik ben impulsief. Zij is gelovig en leeft daarnaar. Ik geloof niet, in elk geval niet in een god. Wat we dan delen? Onze jarenlange vriendschap. Onze bewondering voor elkaar.Het is juist dat anders-zijn wat onze vriendschap zo mooi maakt. We leren van elkaar, laten elkaar op nieuwe manieren naar zaken kijken, omdat we in veel situaties simpelweg verschillend handelen. Nog mooier is het dat we elkaar regelmatig vertellen hoe leerzaam die tegenstellingen zijn en hoeveel waarde we hechten aan de vaak onverwachte adviezen die we de ander geven.

Het liefst zou ik niet alleen aan die vriendin, maar aan de hele wereld vertellen hoe we van elkaars anders-zijn kunnen leren. Noem me idealist. Maar het is toch o zo simpel dat we – juist met al die verschillen – ook zo hetzelfde zijn. We zijn allemaal mensen. Dus moeten we erkennen dat het niet erg is dat iedereen anders is. Want ondanks al die prachtige verschillen zijn we gelijk. Ik ben niet de enige die dat vind. De vriendin waarmee ik deze blog begon, zou het zo in de Bijbel aan kunnen wijzen. In Johannes 13:34 staat immers te lezen:

“Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.”

En de boeddhisten zullen zich baseren op het volgende gezegde van Boeddha:“Just as a mother protects her child with her own life, in a similar way we should extend an unlimited heart to all beings.”

Of, zoals de bekende socioloog Jürgen Habermas het zo treffend typeert in Religion and Rationality: Essays on Reason, God, and Modernity (2002):

“Notwithstanding their European origins, … in Asia, Africa, and South America, human rights now constitute the only language in which the opponents and victims of murderous regimes and civil wars can raise their voices against violence, repression, and persecution, against injuries to their human dignity.”

Habermas zegt hier dat de taal van de mensenrechten de morele lingua franca is geworden, vanwege haar wereldwijde moraal. Desondanks wordt die taal vandaag de dag steeds minder gesproken. Het Nederlandse kabinet is alleen maar rechtser geworden, vluchtelingen zijn voor velen een last, we moeten vooral zo hoog mogelijk opgeleid zijn en moslims moeten zich altijd maar verantwoorden. Een hand of een deken toereiken is niet meer vanzelfsprekend. Voor het erkennen van verschillen geldt hetzelfde. In plaats daarvan lijkt het veroordelen van het anders-zijn een makkelijke uitweg om onder bepaalde verantwoordelijkheden uit te komen, die van het opkomen en zorgen voor elkaar. Maar gelovig of niet, het is onze morele plicht naar de ander toe. Als mens. Als ‘die ander’. Voor de ander. Uit liefde en uit moraliteit.

Deze column verscheen eerder op forumc.nl, een instituut voor geloof, wetenschap en samenleving. Deze organisatie organiseerde op 6 februari in de Rode Hoed (Amsterdam) het debat Een kwestie van beschaving, waarin het publiek naar vijf pijlers voor de beschaving zocht. Eén daarvan was ‘erkenning van verschillen’, waarover deze column gaat.

Aan tafel met alle religies

Het moet iets zijn geweest als ‘zegen deze maaltijd’, maar dan in het Hebreeuws. Deze zegening sprak ik een week of twee geleden uit toen ik op uitnodiging van een joodse vriendin een sjabbatviering met bijbehorende maaltijd bijwoonde in een synagoge in Utrecht. Een paar dagen later had ik een werkoverleg bij ForumC, waar ik stageloop, met hieraan voorafgaand een lunch. Ook toen werden de broodjes zalm gezegend, nu door mijn christelijke collega’s. De rest van die week kwam ik aan tafel in mijn eigen huis niet verder dan ‘eet smakelijk’, saaie agnost die ik ben.

Het zette me aan het denken. Niet over een eigen zegening. Daar worden mijn culinaire kunsten vast niet ineens nog beter van. Wel over hoe mooi het is dat je in een week tijd van het ene geloof in het andere kunt vallen en ondertussen mag zeggen dat je zelf niet weet of die God – wie dat ook mag zijn – wel bestaat. Of kán bestaan. Het maakt ook niet uit. Hier in Nederland kennen we gelukkig vrijheid van (on)geloof, vastgelegd in het zesde artikel van onze Grondwet: Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

“Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”

Deze vrijheid hoort in mijn ogen bij beschaving. Het gaat om elkaar vrijlaten en elkaars overtuiging accepteren. Ook als iemand geen overtuiging heeft. Een wet die we pas sinds 1983 in zijn huidige vorm kennen: toen werd het processieverbod voor de katholieke kerk ook boven de rivieren afgeschaft. Deze afschaffing kwam er veel te laat, zou je het mij of de bekende Nederlandse Verlichtingsfilosoof Spinoza vragen. In 1670 pleitte hij in zijn Theologisch-Politiek Traktaat immers al voor de volledige vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid. Want, zo was zijn idee, religieuze groeperingen vertonen anders onredelijk gedrag, omdat hun fanatieke dogma’s indruisen tegen de redelijke wetten van de staat. En dat kan niet, vond Spinoza, aangezien het onderscheid tussen de menselijke wet en de goddelijke wet slechts schijn is.

Zijn Engelse tijdgenoot John Locke, ook filosoof, schreef in zijn Brief over tolerantie uit 1689 dat geloof door geen enkele overheid en kerk kan worden afgedwongen en dat iedereen dus de vrijheid heeft zelf zijn kerk te kiezen.

“Deze verdeeldheid [in kerken] nu waarborgt eenieder de vrijheid om in die kerk te treden die hij zelf verkiest. (…) De kerk moet al zijn volgelingen herinneren aan de plichten van vrede en welwillendheid tegenover alle mensen. (…) Zij heeft de plicht om ze aan te sporen tot liefde, zachtmoedigheid en tolerantie.”

En toch, wanneer ik aan tafel zou zitten met Spinoza en Locke, zouden we nog voor het dessert in een hevige discussie belanden over die verdraagzaamheid. Want hoe komt het dat vrijheid van religie momenteel voor veel mensen een probleem is? Neem Wilders die met zijn partij zelfs een hele religie wil verbannen. Wil Locke mij überhaupt wel te woord staan? Volgens hem zou ik, als iemand die geen religie aanhangt, een bedreiging zijn voor het publieke belang. Wie geen angst voor het hiernamaals heeft, predikt Locke, zal zich alleen aan de door het volk gekozen regels houden als hem dit goed uitkomt. Op die manier schijn ik de politieke orde te ondermijnen.

Een staatsbedreiging, zo had ik mezelf nog niet eerder gezien. Liever zit ik dan ook aan tafel met de protestantse dominee die ik laatst sprak over tolerantie en moslims in Nederland. De islam heeft dezelfde wortels, zei hij, verwijzend naar Abraham, Mozes en Jezus. Maar ook de herkomst ligt net als het christendom in het Midden-Oosten. Dit maakt beide religies verwant. Hij voegde eraan toe dat het christendom eeuwen nodig had om in West-Europa te landen. De dominee begreep dan ook niet dat veel mensen verwachten dat moslims vaak al binnen één of twee generaties in Nederland aarden. Dat kan niet en daar moeten we volgens hem rekening mee houden. Want, zo sloot hij zijn betoog af, het christendom heeft onze cultuur mee gevormd, maar dat geeft het christendom slechts een voorsprong. Zeker geen voorrang.

Precies. Graag nodig ik dan ook mijn joodse vriendin, mijn christelijke collega’s en iedereen – met welke overtuiging dan ook – uit om met ons mee te eten. Omdat je de maaltijd niet vaak genoeg op verschillende manieren kan zegenen. Omdat ook verdraagzaamheid door de maag gaat.

Deze column verscheen eerder op forumc.nl, een instituut voor geloof, wetenschap en samenleving. Deze organisatie organiseerde op 6 februari in de Rode Hoed het debat ‘Een kwestie van beschaving’, waarin het publiek naar vijf pijlers voor de beschaving zoch. Dat ging ze gemakkelijk af. Het werden er zelfs acht. Eén daarvan was Vrijheid van (on)geloof, waarover deze column gaat. 

‘Ze willen mij als voormalig dakloze overal hebben’

Dat je ook voor de straat kunt kiezen, omdat je van de vrijheid geniet en je jezelf gevangen voelt in een huis, weten de meeste mensen niet. Met zijn persoonlijke ervaringen hoopt voormalig dak- en thuisloze Leo van Kampen het stigma van ‘de zwerver’ te kunnen doorbreken. Hij volgt hiervoor een cursus bij het Utrechtse Imagoproject, dat voorlichting biedt over dak- en thuisloos zijn.

Door Daphne van Breemen

“Ik moet eigenlijk nog drie cursuslessen volgen, maar ze kunnen me dat certificaat nu al wel geven!” Voormalig dak- en thuisloze Leo van Kampen (63) uit Utrecht lacht trots tijdens zijn gastles aan zestien geneeskundestudenten en een farmaciestudent. Zij lachen met hem mee. “Ja, want ik kom overal hoor!”, voegt Leo eraan toe. “Sinds ik deze cursus tot ervaringsdeskundige volg, wil iedereen me hebben. Scholen, dokters, bewindvoerders en zelfs RTV Utrecht heeft een filmpje bij mij thuis gemaakt. Dat sloeg in als een bom!”

Levensverhaal opschrijven
Sinds anderhalf jaar heeft Leo een eigen huis. Ook al kwamen in het begin de muren op hem af, nu kan Leo niet meer zonder zijn paleis, zoals hij zelf zegt. De Tussenvoorziening adviseerde hem zijn levensverhaal digitaal op te tekenen. Dat deed hij, tot zijn computer kapot ging. Toen kwam Leo bij Fred van de Ridder terecht, die intussen zijn begeleider is. Fred knapte voor hem een laptop op en zei dat hij eens kennis moest maken met iemand van het Imagoproject, waarbij Fred zelf coach is.

Beleid veranderen
Via dit Imagoproject, dat voorlichting biedt over dak- en thuisloosheid en de achtergronden van cliënten, vertelt Leo zijn levensverhaal aan studenten, beleidsmakers, bewindspersonen en artsen. Niet om een zielig verhaal te verkondigen of om de vooroordelen over dak- en thuislozen te bevestigen. In tegendeel. Hij wil de ogen van de beleidsmakers en bewindspersonen openen. “De gemeente zegt bijvoorbeeld: ‘We gaan je helpen’, maar dat doen ze niet”, legt hij aan de zaal uit. Een student steekt zijn vinger op: “Wat moet de gemeente dan doen?” “Beloftes nakomen”, antwoordt Leo beslist. “Sommige daklozen worden uit opvangtehuizen geschorst, omdat ze roken of drinken. Ze moeten dan vier dagen wegblijven. Daarmee maak je het erger. Práát met ze, vraag waarom ze roken of drinken.” Een ander voorbeeld is nalatigheid. “Bewindspersonen zeggen toe dat ze op een bepaalde dag geld naar me overmaken, kijk ik op mijn rekening: staat er niets bij. Dan bel ik en moet ik horen dat er iets fout is gegaan. Dat moeten ze mij meteen laten weten.”

Kapotte benen
Als een studente Leo vraagt wat hem zo aansprak aan het leven op straat, antwoordt hij ‘dat als het aan hem had gelegen, hij daar nog steeds liep’. Hij wijst naar buiten: “Zoals nu, lekker in het zonnetje! Iedere dag is anders; daar hield ik van.” Het was Leo’s slechte gezondheid die hem dwong het straatleven op te zeggen. “Mijn benen waren kapot van al het lopen. Ik heb 37 jaar gezworven. Ik had drie zwarte tenen en dat ging bijna door tot aan mijn knie.” Via de Utrechtse Tussenvoorziening, die opvang, woon- en financiële begeleiding biedt aan kwetsbare mensen, kwam Leo bij de dokter terecht. “Ik bleek suikerziekte te hebben. Mijn been moest er bijna af, maar gelukkig herstelde dat. Om het niet nog eens zo ver te laten komen, had ik een huis nodig.” De Tussenvoorziening hielp hem daarbij.

Advies geven
Noemde Leo het Imagoproject voor hij eraan begon nog een hele opgave – “Ik ben al over de zestig hè”, intussen is hij blij met de voordelen. Hij praat voor hele groepen, heeft zijn levensverhaal leren schrijven en het mooiste van alles volgens hem: hij helpt nu anderen met zijn ervaringen. Neem de lichamelijke kwalen. “Ik ga wekelijks naar een Bijbelgroep en daar zitten ook mensen met zwarte voeten. Tegen hen zei ik dat ze naar de dokter moeten die mij zo goed hielp.”

Gewone mensen
Voor de artsen in spé, die in de toekomst wellicht ook dak- en thuislozen zullen behandelen, heeft Leo nog een speciale boodschap. “Het zijn gewone mensen en zo moet je ook met ze omgaan”, verzekert hij. “Tuurlijk, sommige zijn vies en eten uit prullenbakken, maar dat zijn er maar een paar.” De meeste dak- en thuislozen zijn juist diegenen die tussen wal en schip vallen: door de crisis zijn ze hun baan en hun huis kwijtgeraakt en daardoor op straat terechtgekomen. Dan heb je nog de mensen die zelf voor de vrijheid van de straat kiezen. “Die lopen er keurig bij, zoals ik deed.” Ook dit is een stigma dat het Imagoproject wil doorbreken. “Niet alle daklozen zijn verslaafd. Ik ben er een voorbeeld van. Ik rook niet, drink niet en gebruik geen drugs. Dat is nieuw voor de meeste mensen.”

Leo mag dan over de zestig zijn, een droom heeft hij nog wel. “Ik wil dak- en thuislozen van de straat af helpen.”

Dit artikel verscheen op vrijdag 20 mei 2016 in Straatnieuws, de daklozenkrant van Utrecht.

Raadhuis

Koninklijk bezoek in Waalwijk hoeven we niet zo snel te verwachten, maar niemand minder dan Sinterklaas logeert al drie jaar op rij in ons historische schoenmakersstadje in de Langstraat. En denk maar niet dat de Sint op meer plekken in de buurt logeert. Nee nee, hij verkiest Waalwijk boven vele andere Brabantse plaatsen. Volgens Francesco van het Kunstencentrum in Waalwijk bedient het Huis van Waalwijk, waar de Sint straks negen dagen heeft gezeteld, heel Midden-Brabant.

Wie zegt dat er in Waalwijk niks te doen is op het gebied van cultuur, heeft het dus wéér mis. Kijk alleen al naar vanavond. Maar daar gaat het nu niet om. We hebben hoog bezoek en daar wordt door het Kunstencentrum, de bibliotheek, de gemeente en de decormaker van toneelvereniging OOG goed voor gezorgd. Zeg dus niet dat de culturele instellingen in Waalwijk de handen niet ineen steken.

Het ontbreekt die beste Spanjaard aan helemaal niets. Een tweepersoonsbed voor hem alleen. Tenzij de Sint stiekem de zoveelste bisschop is die er een avontuurtje op nahoudt. Er is een keuken waar de Pieten pepernoten bakken, er is een kunstenkamer waar alle tekeningen van de kinderen hangen en een heuse postkamer waar de Postpiet alle verlanglijstjes sorteert. Alle kinderen en hun ouders mogen langskomen om zelf te zien wat Sinterklaas nou de hele dag doet. Sint die je de hand schudt en de tijd voor je heeft, dat wil toch ieder kind?

Ja, over het oude raadhuis van Waalwijk hoeven we ons geen zorgen te maken, daar floreert cultuur. De sint als logé en de succesvolle tentoonstellingen de afgelopen maanden over Waalwijk in de sixties en RKC laten dat al zien. Kropholler zou trots zijn.
Een ander verhaal is het oude raadhuis van Sprang-Capelle. Daar werden regelmatig succesvolle tentoonstellingen gehouden door de heemkundevereniging, maar nu zijn er plannen om van het karakteristieke gemeentehuis appartementen en een horecagelegenheid te maken. Het enige historische wat overeind blijft is de voorgevel. Daar moet een man achter zitten, denk ik dan, zo’n eentje die bij een mooie vrouw ook alleen oog heeft voor haar voorgevel. En ja hoor, wie de krant openslaat, leest dat projectontwikkelaar Erik Faro het oude raadhuis heeft gekocht.

Ik stel de beste man voor om een van de weinige culturele gebouwen in Sprang-Capelle, op alle kerken na, in leven te houden en er geen horecagelegenheid in te plaatsen, maar eens te gaan praten met de mensen van het Huis van Waalwijk. Zij kunnen vertellen hoe historie niet verloren gaat. Ik durf te wedden dat het bestuur van de kerken, de heemkundevereniging en veel Sprang-Capellenaren er ook zo over denken. Ben je dan nog niet overtuigd, vraag dan de Sint eens te logeren.

Winst

Ach, zo gezellig, dat kleine Waalwijk aan de Maas, met de Efteling om de hoek, de 80 van de Langstraat, dat ons kneuterige plaatsje het eerste weekend van deze maand weer op zijn kop zette, ’s lands beste slager zetelt hier en niemand minder dan minister Bussenmaker pronkt met schoenen uit onze SLEM-3D-printer. Hopelijk draait dat ding dankzij de onderwijsminister straks overuren. Alsof het niet gekker kan, krijgt ons gezellige Waalwijk nu ook nog een soap. Een echte soap. Van de KNVB. Die wordt uitgezonden.

De voetbalbond gaat het damesteam van WSC volgen, omdat ze van de 18 wedstrijden geen enkele keer scoorden. Geen goede tijden. Het team kent alleen slechte tijden met 324 doelpunten tegen. 324. Maar het plezier van de voetballende vrouwen wordt er niet minder om. Dat kunnen we straks zelf aanschouwen. Zitten we van de Meerdijk tot aan Zanddonk met zijn allen gezellig voor de buis. Trots dat Waalwijk ook eens wordt opgemerkt. Dat we in het nieuws zijn. Dat er over ons wordt gepraat. Vraag je aan zo’n vaste kijker uit een uithoek van het land straks wat de Waalwijkse cultuur is, antwoordt ie: schoenen uit een 3D-printer en vrouwen die niet kunnen voetballen.

 

Liever zie ik dat het getal 324 over iets heel anders gaat. Niet over doelpunten, maar over mensen. Dat de gemeenteraad hard met de vuist op tafel slaat – tot rondvliegende houtsplinters aan toe – en zegt: we hebben plek voor 324 vluchtelingen hier in Waalwijk. Dát is pas scoren. Het klinkt al zoveel beter dan die schamele 43 vluchtelingen die sinds vanmiddag drie dagen in sporthal De Slagen verblijven voor noodopvang. Dan komen we niet in het nieuws omdat het zo gezellig is in Waalwijk of omdat de beste slager hier zijn vlees verkoopt, maar omdat we een soort tweede Nijmegen zijn dat misschien geen 3000 vluchtelingen op kan nemen, maar wel een tiende daarvan. Het grootste deel hiervan past in De Slagen. De rest kan in de oude Walewyc dat leegstaat. Burgemeester en wethouders, hoort u mij?

Waalwijk moet op de kaart komen, omdat we tolerant zijn. Ook dat is cultuur. Cultuur en beschaving gaan immers hand in hand, toch? En cultuur ontwikkelt zich door zich open te stellen voor de buitenwereld, het vreemde. We kunnen in Waalwijk op dat gebied nu een voorbeeld zijn voor andere gemeentes en dorpen. Omdat de bewoners hier wél weten wat een warm welkom is. Wél klaarstaan om de hulp te bieden die de mensen nodig hebben. Allemaal doen we iets. Dáár zouden ze een soap van moeten maken. Zet er maar camera’s op, zoveel mogelijk. Het schijnt dat vluchtelingen de tijd graag doorkomen met een potje voetbal. Misschien kunnen zij het damesteam van WSC dan leren hoe je doelpunten maakt. Dan voorspel ik dubbele winst.

Deze column las ik op vrijdag 25 september voor tijdens Club d’Hivers, een talkshow die laat zien wat er op cultureel en kunstzinnig gebied allemaal in De Langstraat te doen is. Club d’ Hivers wordt iedere laatste vrijdag van de maand in het Waalwijkse Atelier Winterdijk30b gehouden. Wees welkom! (Gratis!)

Brug voor natuurgebieden is kosten waard

KAATSHEUVEL – Ecoduct De Westloonse Wissel bij Kaatsheuvel was gisteren te bezichtigen voor het publiek tijdens een open dag. De meesten bezoekers zien de brug als een goed project dat wat mag kosten, omdat het de natuur dient.

Door Daphne van Breemen

Met een fototoestel om zijn nek maakt René van Bebber (65) uit Tilburg verschillende foto’s van de natuurbrug die over de Midden-Brabantweg (N261) tussen Tilburg en Waalwijk loopt en de natuurgebieden Loonse en Drunense Duinen en landgoed Huis ter Heide verbindt. “Ik rijd hier regelmatig onderdoor en was altijd al nieuwsgierig naar wat de brug inhoudt”, zegt Van Bebber. “Dit is mijn enige kans.”

Want vanaf maandag is het ecoduct gesloten voor publiek. Ook al is de veertig meter brede brug nog niet af – volgens Natuurmonumenten gaat dit nog zo’n zes weken duren – de groepjes belangstellenden lopen af en aan naar boven de brug op, die nu nog een zandbak is. Medewerkers van Natuurmonumenten, de provincie en aannemer BAMN261NonStop vertellen tijdens de weg ernaartoe over de historie van het gebied, de bouw van de natuurbrug en over de dieren die er gebruik van gaan maken. Van de kosten, die tussen de zes en acht miljoen euro liggen, weten de meeste mensen niets af. Maar Van Bebber vindt dat de natuurbrug dit bedrag waard is. “In heel Nederland wordt meer asfalt gelegd. Het is goed dat de natuur haar deel nu terugkrijgt.”

De Westloonse Wissel moet ervoor zorgen dat dieren als reeën, dassen en insecten gemakkelijk van het ene naar het andere gebied kunnen lopen en vliegen. “Dit om de populaties te vergroten”, zegt ecoloog en vrijwilliger van Natuurmonumenten Vivian Mans. “Zonder de brug blijven de dieren geïsoleerd op één plek, omdat ze vanwege het verkeer niet over kunnen steken.”

Carla van Abelen (67) uit Loon op Zand, die op landgoed Huis ter Heide woont, heeft daar haar twijfels over. “Ik woon hier al zo lang en als er in een maand drie nachten een ree heeft rondgelopen, is dat veel. Acht miljoen euro voor deze brug vind ik daarom overdreven. Mijn man en ik vragen ons af of de kosten afwegen tegen de baten. Volgens mij was een raster langs de weg genoeg geweest.”

De realisatie wordt door Perry Ammerlaan (48) uit Kaatsheuvel toegejuicht. “Er moet naast het verkeer ook rekening worden gehouden met de verbinding van natuurgebieden. Dat mag wat kosten. Ik zie liever deze brug dan een functieloos kunstwerk langs de weg.” Janneke de Vries (40) en Sander Hemerijckx (36) maken zich niet zo druk om het bedrag. “Een gewone brug kost net zo veel. En naar het ecoduct zal ongetwijfeld goed onderzoek zijn gedaan.” Dat de brug dertig jaar geleden met de aanleg van de N261 niet al is gebouwd, speelt voor hen een grotere rol. “Dat is erg voor de natuur.”

Dit bericht verscheen tevens in het Brabants Dagblad van maandag 15 juni 2015, editie De Langstraat.