Afscheid

Mijn vingers zijn koud,
schrijven gaat niet meer.
De vorst is over het land gekomen,
heeft de wateren en mijzelf met ijs omsloten.

Loop maar met me mee naar het Lido
waar het water niet meer stroomt,
de eekhoorns niet langer naar eikeltjes zoeken,
waar geen vogel meer te horen is.

Want zoals de vogels naar het Zuiden trekken,
trek ik met trage stap naar het Noorden,
steek de rivieren over en hoop daar
water zonder ijs te vinden.

Ik kijk nog een keer achterom, weemoed bekruipt me
en zeg dan Waalwijk gedag, hopend dat de stad vluchtelingen
ooit van harte welkom heet, haar hulpbehoevende burgers
niet langer doet schreeuwen om zorg.

Dan herhaal ik voor de laatste keer de woorden
die ik twee jaar geleden toeschreef aan,
wat ik toen noemde, mijn dichterlijk begin.
Fluisterend zeg ik:

Vergeet mijn naam niet,
mijn gezicht evenmin.

Daphne van Breemen
29 november 2016.

Met dit gedicht nam ik op dinsdag 29 november afscheid van mijn stadsdichterschap van de gemeente Waalwijk. Een titel die ik twee jaar lang mocht dragen. Een heel grote eer! Veel mooie kansen gehad, veel mooie mensen ontmoet. Een dierbare ervaring. Lieve lezers, lieve Waalwijkers, bedankt!

Van de muze en de liefde

Wanneer ik mijn zaterdagmiddag
in bed met dichtbundels doorbreng,
ben jij er ook een beetje bij.

Dan is het net of de dichter zijn woorden
uit mijn hoofd gestolen heeft
en het niet zijn,
maar mijn stem is
die spreekt.
Over jou.

Van de muze en de liefde
Maar de liefde wat is dat dan?
Van hoe we een appel deelden
– ieder een hapje één voor één –
waardoor er een hartje in de vrucht ontstond.
Het is de eenvoud die de liefde maakt,
sprak jij.

De dichter die beweert
dat sommige dingen oneindig zijn.
Maar dat ben ik niet met hem eens:
als klein kind wist ik immers al
dat er ooit een einde zou komen
aan de onbezorgdheid van bloemenjurkjes
en vlechtjes in het haar.

Want de liefde is niet oneindig.
Alleen heel soms, wanneer de muze
haar bestemming gevonden heeft.
Jij bent mijn mannelijke muze.
Maar deze zaterdagmiddag ben je spoorloos.