Roep om hulp

Wie helpt mij?
schreeuwde hij en er kwam geen antwoord.
Wie hoort mij?
stamelde hij en het bleef stil.

Buurvrouw rechts op haar werk,
buurman rechts eveneens.
Buurvrouw links te druk
met de zorg voor haar demente man.

Wie moet het doen,
als ik het zelf niet meer kan?
schreeuwde hij zijn straat,
zijn buurt, zijn stad in.

Het was de simpele roep om hulp
van een eenzame man,
die door gebreken
soms niet voor zichzelf zorgen kan.

Een helpende hand
is dichterbij dan je denkt,
hadden ze hem
op het gemeentehuis gezegd.

Maar waar dan?
Zijn kinderen wonen niet in de buurt.
Wat moet hij,
nu hij als gepensioneerde geen collega’s meer heeft?

Zijn stad,
die eens zo eensgezind was.
Toen de kruidenier zijn naam nog kende
en wist wat hij mankeerde.

Dezelfde kruidenier die zei:
“Ge mot naar d’n diejen van d’n diejen”
Voor hij het wist, had hij dan een verpleegster
of luisterend oor over de vloer.

Hij dacht terug aan het katholieke leven van toen.
De tijd waarin er geen duur woord
als ‘participatiesamenleving’ nodig was
om elkaar te helpen.

Hij zou er bijna elke zondagochtend weer
voor in de kerkbanken gaan zitten.
In de hoop dat er dan op de Heilige Heere na,
nog iemand is die hem ziet en hoort.

Daphne van Breemen

Wij zijn Jan de Rooij

Hard was zijn stem,
toen hij de geallieerden waarschuwde:
de Duitsers zijn er klaar voor!
Harder was zijn stem,
toen hij bij diezelfde uniformen de baas bleef.

Zijn lichaam konden ze krijgen,
zijn naam en zijn ziel niet.
Dat was van hem. Van zijn familie,
van niemand anders.

Nog harder was de stem,
die hij daarmee achterliet.
Een stem die tot op de dag van vandaag,
maar ook morgen nog te horen is.

Vanaf de Tilburgseweg tot aan Parijs,
waar zeventig jaar vrijheid,
ineens zo vanzelfsprekend niet meer is.
Waar stemmen worden overschreeuwd door angst.

Wij zijn Charlie roepen de mensen daar,
maar dichter bij huis,
waar liefde en moed altijd wachten,
roepen de mensen: wij zijn Jan de Rooij.

Daphne van Breemen

Een nieuw begin

Hier vangt aan,
mijn dichterlijk begin.
Een letter, een woord,
en dan een zin.

Ik bakte geen vis, geen vlees,
mijn poëziepan is nog leeg.
Maar het eerste vuurtje brandt zacht,
en een nieuwe vonk staat in de wacht.

Een druppel angst, een snufje moed,
een lepel lef en een scheut plezier.
We heffen de glazen en ze zullen klinken,
zoals mijn stem vanaf elk papier.

De mensen de mond gesnoerd,
of tot een berg zakdoekjes geroerd.
Dichten deed ik, dichten zal ik,
tot mijn poëziepan vol is en mijn pen leeg.

Hier een letter, daar een woord,
dan gaat het gebeuren.
De strijd van dichten in het verschiet,
die mijn toekomst mag kleuren.

Vergeet mijn naam niet,
mijn gezicht evenmin,
want ik zei het al: hier is begonnen,
een dichterlijk begin.

Daphne van Breemen

Dit gedicht is een vervolg op het eindgedicht van Hans Branderhorst, de vorige stadsdichter van de gemeente Waalwijk. Op 15 december 2014 nam hij afscheid, waarna ik hem opvolgde. Deze benoeming geldt voor de komende twee jaar. Bovenstaand gedicht verscheen eerder op de site van de gemeente: http://www.waalwijk.nl/Pub/Home/Vrije-tijd/Kunst-en-cultuur/Vrije-tijd-Stadsdichter.html En ook op mijn Facebookpagina: https://www.facebook.com/StadsdichterWaalwijk

Eeuwige stad

Er is geen stad zo eeuwig als mijn herinneringen aan Waalwijk.
Daar waar ik ben opgegroeid, waar ik dwaalde door de straten,
alsof de avond nooit zou vallen.
Op iedere plek een andere herinnering.
Steeds wanneer ik zo’n straat passeer, is het weer even zoals toen.

De Hooisteeg, waar ik in gedachten gesprekken voerde
met de arbeiders, zittend voor hun huizen.
Hoe ze ondertussen in de weer waren met leesten en zolen.
Het gekraak van de bedstee waarin de kleinsten zich nog een keer omdraaiden,
terwijl moeder het ontbijt maakte.
Waar ik diezelfde arbeiders later terugzag in het Schoenenmuseum.

Er is geen stad zo eeuwig als de herinneringen aan mijn eigen stad.
Hier wist ik als klein kind al de weg.
Naar mijn in Zanddonk gelegen basisschool.
Met het schoolplein, zo groot
dat je er bijna verdwalen kon.
Daar waar ik mijn vlechtjes inruilde voor lange lokken
en mijn tuinbroek voor een jurk.

De weg naar De Leest, waar ik achttien jaar geleden als vierjarig meisje
mijn eerste stappen in het theater zette.
Een gebouw dat toen met enige scepsis werd ontvangen,
terwijl ik binnen die muren leerde dat met kunst zoveel meer is te zeggen.

Het Halve Zolenpad naar Waspik, waar op een koude winterdag geen einde aan kwam.
Maar wat op een mooie lentedag niet lang genoeg kon duren,
met de bloemknoppen, het gefluit van vogels en het groen om me heen.
Alsof je de zomer tegemoet fietste,
als je maar lang genoeg op het zadel zat.

Hoe ieder seizoen steeds weer voorbijging
en er zo weer een jaar voorbij was.
Hoe ik met de jaargetijden mee veranderde,
ouder werd, maar Waalwijk mijn stad bleef.

Daphne van Breemen

Van de bergen

Wil je me voorlezen, vroeg ik mijn vader.
Ik nestelde me net als vroeger tegen hem aan,
trok mijn benen op en legde mijn hoofd op zijn borst. 
Zijn stem werd zachter. Zachter dan wanneer hij fluisterde en 
zachter dan zijn stem in mijn herinnering ooit was geweest.

Hij vertelde van de bergen.
Hoe hoog ze waren, maar dat ze altijd hoger konden. 
Om vervolgens een stilte te laten vallen en te zeggen dat alles altijd hoger kan. 
Hoe de sneeuw viel en viel, 
en hoeveel meer het was dan voorzien. 
Dat omdraaien een optie was, 
maar dat je met je schoenen ook diepere, zwaardere stappen kon zetten. 
“Zwaar, wat is zwaar?”, mompelde hij. “De sneeuw trotseren op je blote voeten, dat is zwaar.”

Hij vertelde van de bergen.
Hoe hoog ze waren en dat je de zon bijna kon aanraken als je het hoogste puntje had bereikt.
Dat je de warmte dan kon voelen en de kou snel vergat. 
Dat je stiekem een beetje zon in beide jaszakken moest stoppen voor de terugweg. 

Ik luisterde en luisterde, 
naar het verhaal over de bergen en hoe hoog ze waren.
Maar langzaam werd luisteren dromen en werd mijn vaders stem harder. 
“Bedtijd!”, hoorde ik hem onderaan mijn berg zeggen. Een arm onder mijn oksels, een arm onder mijn knieën en daarna een kussen onder mijn hoofd. 
“Slaap maar, slaap maar fijn.”

Loop je even met me mee?

Loop je even met me mee naar buiten? Verder niets. Alleen maar lopen. Naast elkaar. Mijn arm in de jouwe gehaakt. Onze voeten die gelijk lopen waardoor het lijkt alsof we eigenlijk één persoon zijn, enkel gescheiden door de wind die door de kieren van onze schurende lichamen waait.

Loop je even met me mee naar buiten? Dan pak ik je hand en voel ik de warmte van jouw vingers die die van mij verwarmen. Dan vertel ik je hoe ik ’s morgens als je net weg bent de kleine haartjes van je borst in mijn bed vind. Tevreden gekruld liggen ze dan op mijn kussen en verstopt onder mijn dekbed. Hoe diezelfde haartjes als ik ga douchen nog van mijn lichaam af stromen.

Hoe ik later je zwarte sokken op de grond vind, vervolgens zie dat die van mij er niet meer liggen en jij dus met die van mij aan naar huis bent gegaan. Hoe ik me dan besef dat we dezelfde sokken hebben, die van jou misschien alleen wat groter. Als ik dan een paar dagen later schone sokken uit m’n kast pak en ze aantrek, kan ik ze bijna optrekken tot aan mijn knieën. Jouw sokken.

Loop je even met me mee naar buiten? Dan vertel ik je dat ik nooit meer terug naar binnen wil.

Eeuwig

Er is geen leven zo eeuwig
als mijn herinneringen aan jou.
In tegenstelling tot wij mensen
vergaan ze niet.
De herinneringen aan jou
en aan de mensen van wie we houden
veranderen hoogstens met de seizoenen mee van kleur.

Dat beseffen we maar al te goed

op herfstdagen als deze
wanneer de zon bijna achter de bomen verdwijnt
en de bladeren langzaam hun groen verliezen,
net zo lang tot ze van de bomen vallen en er niets meer is.
Niets dan enkel onze gedachten aan hoe het ooit was.

Straks, als de lange winternachten mistig worden

en er sneeuwvlokjes vallen,
is het net of het heelal zachtjes huilt en zijn verdriet
maar moeilijk kan verbergen,
net als iedereen die van je hield.
Want er is geen leven zo eeuwig
als onze herinneringen aan jou.

Tot er niets meer is

Het is de nazomerzon die de bladeren perfect bruin kleurt en ervoor zorgt dat ik, als ik naast je op mijn bed zit, alleen maar kan denken dat het een prachtige herfst wordt. Voor het raam nippen we van onze thee, fluisteren dezelfde woorden als we afgelopen avond deden en kijken naar de straat beneden.

De mensen lachen en groeten. Het meisje op de fiets, de vrouw met de hond en de man met zijn zoon, allemaal zeggen ze elkaar gedag. Een enkele keer kijken ze omhoog, vangen onze blik en zwaaien dan. Wij zwaaien terug. Je drukt me tegen je aan, steekt je duim omhoog en knikt met alle trots die je in je hebt naar de mensen beneden. Ze knikken bevestigend. Alsof ze willen zeggen dat je me nooit meer los moet laten en de winter nooit zal komen. Alsof onze thee nooit afkoelt. Alsof de bladeren net zo mooi van kleur zullen blijven als ze vandaag zijn.

We blijven de hele dag op bed liggen, net zo lang tot de zon achter de bomen verdwijnt en de bladeren langzaam hun kleur verliezen. Net zo lang tot ze van de bomen vallen en er niets meer is.