Olympisch feestje met een beetje sport

Nog een maand en Londen zal bijna vier weken lang verlicht worden door de Olympische vlam. De hele wereld draait dan om de Engelse hoofdstad. En sport, zou je denken. Maar dat valt nog vies tegen. Vorige week was ik in Londen om samen met een vriendin, die net als ik journalistiek studeert, verslag te doen van het verhaal achter de Olympische Spelen. Het evenement draait misschien een klein beetje om sport. De rest, bijna alles dus, om geld.

De Spelen zijn voor Engeland een mooie manier om aan de wereld te tonen wat ze in huis heeft. Overal op straat hangen posters en billboards van de aankomende Zomerspelen. Iedereen mag zien hoe groots en professioneel het gaat worden. De grootste blikvangers zijn die van hoofdsponsors Mac Donalds en Coca Cola. Dat het evenement om sport zou moeten gaan, zijn de regering en het Olympisch Comité even vergeten. Frisdrank en fastfood zijn misschien niet de meest logische keuzes, maar wel een makkelijke manier voor de regering om geld te verdienen. De Olympische Spelen lijken een politiek spelletje te worden, terwijl het zou moeten draaien om het verbinden van mensen en sport.

Zo worden de Spelen van Londen ook gepresenteerd. Toch is het tegendeel waar. De achtergestelde, vervallen wijk East End in het oosten van Londen, zou het centrum van de Spelen worden. Er werd een luxe Olympisch Park uit de grond gestampt, het Stratford Stadium, wat goed zou zijn voor de werkgelegenheid onder de lokale bevolking . Later bleek dat de meeste banen allang ingevuld waren door de werknemers van de ingehuurde bedrijven. De voornamelijk Indiaase en Pakistaanse bewoners van East End zitten nu nog steeds zonder werk. Daarnaast hebben ze nog een terechte reden tot onvrede. De route van de Olympische marathon zou door hun wijk lopen en de finish zou het Stratford Stadium zijn. Ook aan die belofte hebben de hoge piefen van het sportevenement zich niet gehouden. Volgens hen zou de marathon te grote verkeerschaos teweeg brengen. De marathonrenners zullen daarom finishen bij Buckingham Palace. Inderdaad: in het rijke westen van Londen.

Engeland heeft nog meer trucjes bedacht om aan de wereld te tonen wat ze allemaal kan. De beveiliging is dan ook extra goed geregeld. Tijdens de Spelen lopen er meer troepen op straat rond dan er op dat moment in Afghanistan zitten. In de buurt van het Stratford Stadium staan raketwerpers klaar én alle politieagenten dragen straks een geweer, terwijl ze dat op gewone dagen ook niet hoeven. Bangmakerij, vinden veel Londenaren. De meesten van hen zeggen tijdens de Spelen de stad te verlaten. Gelijk hebben ze. Een feestje dat alleen van de elite is, is geen echt feestje.

Deze column is tevens verschenen in De Wijkkrant te Waalwijk van zondag 1 juli 2012.

Onbeschaafdheid in de politiek

Ongevraagd vrouwen in boerka’s filmen, dit filmpje op YouTube en Facebook zetten, voorzien van de begeleidende tekst: ‘tuig uit de islamitische zandbak’. Sam van Rooy deed het. Wie? Sam van Rooy. Je kent hem niet? Je bent niet de enige. Tot zaterdagmiddag kende niemand hem. Vroeger was deze Vlaming een profwielrenner in België, maar tegenwoordig is Sam van Rooy beleidsmedewerker bij de PVV, mijn zéér geliefde Partij voor de Vrijheid. Ahum. Hij is geen Kamerlid of zelfs fractievoorzitter, nee hoor, ‘gewoon’ een medewerker. Maar wel een brutale medewerker.

In het filmpje is eigenlijk maar weinig te zien. Je ziet hoe Van Rooy in een winkelcentrum in Scheveningen de vrouwen in boerka volgt en hen filmt. Ondertussen wordt er niet gesproken met elkaar. Vervolgens heeft hij het filmpje op YouTube geplaatst. De titel luidt: ‘Scheveningen anno 2011: kiemen van achterlijkheid’. Daar bleef het echter niet bij. Hij zette het filmpje ook op zijn Facebookpagina en schreef erbij: ‘Opeens kwam dat tuig langslopen. Dus besloot ik ze maar gelijk te filmen. Of moet ik het normaal vinden dat mijn rust in Scheveningen wordt verpest door dat soort geïmporteerde achterlijkheid van de islamitische zandbak?’

Asociaal, onfatsoenlijk en onbeleefd, dat is het. Zoiets doe je niet. Waar gaat het heen met onze beschaving, vraag ik me dan af. Die vrouwen vielen niemand lastig, ze waren alleen maar aan het winkelen, zoals ieder ander daar zijn tijd mee vult. En dan kun je, zoals Sam van Rooy en de rest van de PVV, nog wel zeggen dat je niet iets hebt tegen individuele moslims, maar wel tegen de Islam als ‘politieke religie’, dat is nog geen vrijbrief om ongevraagd onschuldige moslimvrouwen te filmen en deze beelden op internet te verspreiden voorzien van onbeschaafd commentaar. Zeker niet als je een voorbeeldfunctie hebt naar de rest van de maatschappij. Wanneer je beleidsmedewerker bij een politieke partij bent, dan heb je dat. Meneer Van Rooy, u moet zich schamen.

Gelukkig kwam diezelfde zaterdag de mededeling dat de PVV Sam van Rooy op non-actief had gesteld: ‘We hebben de heer Van Rooy direct op non-actief gezet. Dit filmpje gaat ons veel te ver. Het is jammer dat deze vrouwen boerka’s dragen en we zien graag een boerkaverbod, maar deze vrouwen zijn geen tuig. We betreuren de gang van zaken zeer,’ aldus de PVV. Toch zorgde dit nog steeds voor ontevreden geluiden. Men was lichtelijk verbaasd, dergelijke uitspraken door PVV’ers zijn immers ‘normaal’ geworden. Bij sommigen rees ook de vraag: waarom wordt Van Rooy meteen op non-actief gesteld en kan Geert Wilders wel alles zeggen wat hij wil? Geert is vaak genoeg beledigend bezig met zijn uitspraken, maar nog altijd fractievoorzitter van de PVV, zonder ook maar één keer geschorst te zijn. Ik vind het volkomen terecht dat Van Rooy geschorst is. Zouden ze bij Geert ook eens moeten doen, misschien bindt hij dan eindelijk eens in. Tot die tijd zal ik maar gewoon moeten blijven accepteren dat we van die gekken in en rondom onze Tweede Kamer hebben zitten.

Amai, Sammeke dan toch, spring nu maar snel op je wielrenfiets – daar was je ooit wél goed in – en haast je naar België. De politiek daar wacht met smart op je.

Jeugdsentiment

Afgelopen zaterdag was ik in de Winter Efteling. Ik waande mij weer een dag in ‘De wereld vol wonderen’, zoals de slogan in de televisiecommercial van het welbekende pretpark zo mooi luidt. De dingen die ik vroeger zo leuk vond, waren nu niets meer dan gewoon een attractie. Carnaval Festival, Fata Morgana, Pandadroom, ze raakten me niet meer zoals ze dat vroeger deden. Toch voelde ik me die dag in de Efteling weer even kind. Ik kreeg weer dat gevoel wat ik als klein meisje van zes ook altijd had, zodra ik door de poort het park in kwam.

Het sprookjesbos waar je uren kon dwalen. Op zomerdagen kon ik me hier hele middagen vermaken. De speeltuinen waar je de leukste speeltoestellen had staan. Het water waar je zelfs in kon zwemmen en natuurlijk de vliegende Fakir op het zwevende tapijt. Ademloos kon ik toekijken. Hoe kan het dat hij op een tapijt zit dat door de lucht vliegt, vroeg ik mijzelf iedere keer weer af. Verbaasd was ik en niemand kon het me vertellen. Mijn ouders hebben dan ook uren met een gapend kind naar het tapijt moeten kijken. De Efteling deed indirect ook nog iets goeds met de kinderen. Ze zorgden er namelijk voor dat afval weggooien nog nooit zo leuk werd. Holle Bolle Gijs lokte met zijn ‘Papier hier!’ ieder kind naar zich toe. Ruzies tussen broertjes en zusjes over wie wat weg mocht gooien, waren dan ook heel gewoon. Pardoes was de favoriet van iedere kleuter. Zodra hij verscheen, wilde iedereen met hem op de foto en deze vrolijke pop een handje geven. Mijn held is Pardoes nooit geworden. Mijn heldin was Nijntje.

Jeugdsentiment dus. Het blijft leuk om herinneringen op te halen aan vroeger. Het zijn vaak van die kleine dingen die het ‘m doen. Of wanneer je iets ruikt en door dat geurtje herinnerd wordt aan bepaalde momenten, bijzondere momenten die je altijd zijn bijgebleven.

Iedere keer wanneer ik een liedje van K3 hoor, moet ik terugdenken aan die keer dat ik acht jaar was en samen met mijn moeder voor het eerst naar een concert ging. Niet dat je het nou echt een concert kon noemen, maar dat doet er niet toe. Het was heel wat dat ik naar een concert van K3 ging. Veel vriendinnetjes uit mijn klas waren er ook met hun moeder. Trots dat we waren. Onze staartjes wapperden dan ook swingend mee op de maat, terwijl wij dezelfde pasjes dansten als de dames van K3.

Blijkbaar had ik iets met die Belgen, want Samson en Gert zijn me ook altijd bijgebleven. Iedere zondagmorgen stonden mijn broertje en ik op tijd naast ons bed om beneden de televisie aan te zetten en Samson en Gert te kijken. Alle liedjes konden we op den duur met ze meezingen. Dat was ook niet zo gek. We hadden een CD van het vrolijke duo in de auto liggen. Ieder ritje werd de CD plat gedraaid.

Ik vind het heerlijk om al die jeugdherinneringen er midden op de dag even bij te halen. Of wanneer ik ’s avonds in bed lig en niet kan slapen. Vroeger zei mijn moeder dan altijd: “Als je niet kunt slapen, moet je aan leuke dingen denken. Als je dat doet, val je zo in slaap.” Nu pas ik dat trucje nog steeds toe. Ik sluit mijn ogen en ga terug in de tijd. Ik ruik de kinderjaren weer. Die geur maakt veel goed en zorgt voor genoeg mooie dromen. Dromen over vroeger.

De straat op!

Fietsen is iets wat ik dagelijks doe. Naar de bus, naar de supermarkt, de stad, vrienden, noem het allemaal maar op. Niets bijzonders, zal je denken. Dat is ook zo. Maar toen ik een paar dagen geleden op weg was naar de stad en langs mijn oude basisschool reed, zag ik op het grasveld langs de weg toch wel een heel opvallend spandoek hangen. ‘Hier geen hondendrol, maar kinderlol’, stond er met dikke zwarte letters op. Kort maar krachtig. De boodschap was duidelijk. Op dat grasveld hoorden kinderen te spelen. Voetballen, tikkertje, verstoppertje; de welbekende kinderspelletjes. Buitenspelen, dat is wat kinderen moeten kunnen doen. Schijnbaar was dit op het bewuste grasveld niet meer mogelijk. Hondendrollen maakten het onmogelijk om met schone schoenzolen van het veld af te komen.

Dit zette mij aan het denken. Tegenwoordig zie je helemaal niet meer zo vaak kinderen buiten, die plezier maken en spelletjes spelen. Computers hebben het gewonnen van de straat. Kinderen zitten alleen nog maar binnen vastgeketend aan hun computer. MSN, Hyves, games en noem het allemaal maar op, zijn veel interessanter geworden dan het buitenspelen. Zonde, want buiten kun je zo veel leuke dingen doen. Maar waarom zou je naar buiten gaan om met je vriendjes en vriendinnetjes te spelen en te kletsen als je dit ook achter de computer kunt doen door middel van chatten? Hoezo tikkertje, verstoppertje, Tien tellen in de Rimboe en Spoorzoekertje? Je kunt op internet allerlei spellen spelen, die veel spannender zijn en ook nog eens een stuk gevaarlijker. Oorlog voeren, schieten met geweren, dat is toch stoer? Nee, voor het beleven van een avontuur hoeft een kind echt niet meer de buitenwereld in, dit kan heel gemakkelijk in een virtuele wereld.

Dat vind ik jammer. Buitenspelen hoort in mijn ogen in het Nederlandse straatbeeld. Het hoort vanzelfsprekend te zijn dat op straat kindergeluiden klinken en je naast het blaffen van een hond ook gegiechel en pret hoort van de kinderen uit de wijk. Ik weet nog dat ik vroeger altijd buiten speelde. Of het nu winter of zomer was, dat maakte voor ons niets uit. Als het sneeuwde, maakten we een sneeuwpop of hielden we een sneeuwballengevecht. Handschoenen aan, muts op, sjaal om en we waren er helemaal klaar voor. In de zomer, wanneer het ’s avonds lang licht bleef, waren we al helemaal vaak buiten te vinden. Alle kinderen uit de buurt verzamelden zich in de speeltuin. Hier werden allerlei spelletjes bedacht. Creatieve breinen waren er genoeg. Met de meisjes uit de buurt spraken we vaak af dat we de poppen meenamen. Als echte moedertjes in spé liepen we op straat met kinderwagens, kleertjes voor de poppen, luiers, dekentjes en flesjes. Overal werd aan gedacht. Iedereen zorgde voor wat te eten en het picknicken kon beginnen. Naast de speeltuin was een groot grasveld met twee doelen. Hier waren altijd voetballende jongens te vinden. Toen we wat ouder werden, organiseerden we heuse slagbaltoernooien. Fanatiek als we waren, deed ieder team zijn best om te winnen. Naast het feit dat we plezier maakten, waren we ook nog eens sportief bezig.

Alleen al daarom moeten kinderen de straat weer op. In plaats van dat al die volwassenen over het dikker worden van kinderen blijven klagen en zeuren, moeten ze hun kinderen naar buiten sturen. Buitenspelen is dus niet alleen goed voor de dagelijkse beweging van kinderen. Naast het feit dat ze sportief bezig zijn, zijn ze ook nog eens met andere kinderen in de weer. Ze moeten samenwerken, aan een ander denken en hebben plezier met elkaar. Op sociaal gebied worden ze hier ook alleen beter van. Twee vliegen in één klap dus. Beste ouders, stuur je kind de deur uit. Lieve kids, maak dat je wegkomt. Hup, de straat op! Mocht je in een hondendrol stappen, klop dan maar bij mij aan. Ik zal jullie schoenen wel ontdoen van die rotzooi, zolang jullie maar buitenspelen.

Een dodelijke ontdekking

Elf dagen geleden, maandag 1 november 2010, was de dag dat mijn leven voorgoed veranderde. Ja, echt waar. Ga er maar eens even goed voor zitten. Ik zal je vertellen welke ontdekking ik die dag deed. Het gebeurde tijdens een college ‘Achter Het Nieuws’. Het was nog vroeg en ik had dan ook geen zin om verhalen over de lokale politiek aan te horen. Overigens was net het nieuws bekend dat Harry Mulisch was overleden. Via internet kwamen Merel en ik er achter dat Mulisch een zoon had. Menzo genaamd. Deze jongen bleek achttien te zijn. Net zo oud als wij. Je ziet het al aankomen: wij waren natuurlijk erg benieuwd naar deze jongeman. Wie weet was hij wel knap.

Daarom besloten wij zijn naam te googelen. De zoekresultaten brachten ons helaas niet bij foto’s van de voor ons mysterieuze Menzo Mulisch, maar wel bij iets anders. Via Google kwamen we op de website www.sterfdatum.nl terecht. De site trok meteen onze aandacht en we klikten de link aan. Het bleek dat je een vragenlijst in moest vullen en dat de site hierna berekende wanneer je dood zou gaan. Je precieze sterfdatum zou vervolgens op het scherm komen te staan. De nieuwsgierigheid won het van onze angst en na enig getwijfel besloten we toch de vragenlijst in te vullen.

Vijf minuten later was het zover. Mijn sterfdatum was berekend en verscheen op mijn beeldscherm: “Daphne van Breemen zal overlijden op vrijdag 26 juni 2082 in de leeftijd van 89 jaar.” Om het af te maken stond er een heuse overlijdensadvertentie bij met de tekst: “Ik laat niemand achter, maar ben iedereen voor.” Mijn overlijdensadvertentie werd afgesloten met de woorden: “Daphne hield van bloemen.” Fijn, wist ik dat ook weer.

Ik word dus 89 jaar en dat vind ik helemaal niet zo erg. Het is een mooie leeftijd. Niet iedereen kan zeggen dat hij zo oud wordt. Toch jammer dat ik nooit zal kunnen zeggen dat ik de negentig gehaald heb. Maar goed, je kunt natuurlijk niet alles hebben. Na dit geruststellende bericht realiseerde ik me dat ik dus nog 71 jaar te gaan heb tot mijn dood. Jaren genoeg om te genieten van het leven, om alle dingen te doen die ik nog wil doen en om mezelf te zien veranderen in een oud grijs dametje.

Nog even, voor ik het vergeet: via deze weg wil ik jullie allemaal uitnodigen om op maandag 29 juni 2082 naar mijn begrafenis te komen. Iedereen is van harte welkom, dus noteer het alvast in je agenda. Tijd en plaats zijn nog onbekend, deze informatie volgt tegen die tijd. En nog iets: vergeet vooral de bloemen niet.

Brief aan mijn jongere ik

Voor jou,  


Dag meisje dat altijd lacht. Jij, nieuwsgierig als je bent, vraagt je vast af waarom je deze brief van mij krijgt. Een brief van jezelf, twaalf jaar later. En nog meer vraag jij je waarschijnlijk af waarom ik je zo raar aanspreek en je niet gewoon bij je voornaam noem. Dat ga ik je allemaal vertellen. Heb nog even geduld, het wordt zo allemaal duidelijk.

Moet je jou daar nu zien zitten in de tuin. Het is volop zomer en je geniet van de vakantie. Je geniet van de zon en de witte vlindertjes die voorbij vliegen. Met vlinders ga jij later nog een hoop hebben. Ze staan symbool voor wie jij bent. Je beschrijft er je leven mee. Jij ziet jezelf straks als een vlinder, wanneer je achttien bent en dezelfde leeftijd hebt als ik nu heb. Je bent dan een jonge vrouw, die de weg van rups naar vlinder heeft afgelegd. Nu ben je nog een rupsje, een klein meisje van zes jaar. Misschien moet ik je daarom wel ‘rups’ noemen. Je zegt zelf namelijk tegen je broertje dat je al een ‘grote meid’ bent. Je bent jong, nog niet zelfstandig en afhankelijk van anderen, maar je zou wel graag zelfstandig zijn. Het liefst ontpop jij je van rups naar vlinder, maar zo makkelijk gaat dat niet. Je moet eerst nog een hoop dingen leren en veel meemaken. Maar dat komt wel goed de komende twaalf jaar.

Wanneer je achttien bent en je de middelbare school achter je laat om Journalistiek te gaan studeren, wil je echt zelfstandig zijn. Je hebt dan de weg naar volwassenheid bereikt en vliegt als vlinder verder. De wijde wereld is het doel dat jij voor ogen hebt. Je gaat niet ver van huis, maar toch. Waalwijk verlaat je voor Tilburg. De plek die altijd je thuis is geweest, waar je zoveel mooie herinneringen aan hebt, ga je verruilen voor een stad die er toe doet. De stad waar het leeft, waar het druk is en jij je geen moment verveelt. Je krijgt er nieuwe vrienden, ontmoet er mensen die net zo zijn als jij. Nu vraag jij je af wat ik bedoel, hoe jij dan bent. De zon schijnt fel daar in de tuin, je knijpt je oogjes fijn. Met mensen die net zo zijn als jij, bedoel ik mensen die ook van schrijven houden, mensen die begaan zijn met de wereld om hen heen. Zo ben jij ook. Ja jij, dat meisje met die vrolijke vlechtjes in het haar en je favoriete jurkje aan. Ik zie je wel stiekem in het raam gluren, ontdekkend dat je een raam heel goed als spiegel kunt gebruiken. Je voelt je weer net zo mooi en trots als toen je bruidsmeisje was op de bruiloft van je oom en tante.

Ik wil je ook vertellen dat je later heel veel schrijft. Nog meer dan dat je nu al doet. Je gaat verhalen schrijven en allerlei gedachtes op papier zetten. Gedachtes die je met de mensen om je heen deelt. Je houdt er straks van om met woorden en zinnen te spelen, dit is terug te zien in de gedichten die je schrijft. Je droomt er van om later een eigen roman of gedichtenbundel te schrijven. Een eigen column in de krant zie je ook wel zitten.

Je leest het: dromen heb je genoeg. Nee, na twaalf jaar is er niets veranderd. Een dromer ben je nog steeds. Soms leef je in je eigen wereldje, maar ik kan je zeggen: het is heerlijk.

Verder ben je ontzettend positief en lach je altijd. Daar sta je zelfs een beetje bekend om. Hebben mensen het over jou, dan krijg je te horen: “Daphne, dat meisje dat altijd lacht.” Jij vindt dat je moet genieten van het leven en doet dit als studente dan ook vol overgave. Uitgaan behoort tot je wekelijkse bezigheden. Een drankje doen met vrienden in de kroeg, muziek op de achtergrond, leuke mannen om je heen en je bent al gauw tevreden.

Tja, die mannen dus. Toen je die eenmaal ontdekt had, wist je niet meer van ophouden. Tenminste, met het stappen vond je het heerlijk om succes te boeken. Maar lieve Daphne, onthoud goed: als jij straks gaat stappen, besef dan dat je succes niet altijd als een prijs moet zien. Op succes moet je trots zijn. Laat het dus niet uit de hand lopen, want dan ben je het succes niet waard.

Ik had het net al met je over de mannen. Laat ik daar maar meteen wat meer over vertellen en je wat dingen zeggen over de liefde. Je komt er vanzelf achter dat de liefde net zoals de wind langs de seizoenen reist. Soms is de liefde kil en guur, waardoor je koud van binnen wordt. Huiverig, net als in de winter. Maar de liefde heeft ook een andere kant. Liefde kan heel mooi zijn. Zo mooi, dat je het er warm van krijgt. Warm, omdat je merkt dat de passie overal is. Vergelijk het met een zwoele zomeravond. Maar liefde kan je ook laten opbloeien, zoals de lente het land verrijkt met al zijn pracht.

Meer heb ik je eigenlijk niet te vertellen, maar ik wil je nog wel wat dingen mee geven. Gewoon wat wijze lessen van je oudere ik. Lees deze brief over een paar jaar nog eens, dan zal je het vast beter begrijpen.

Blijf altijd jezelf en trek je niets van anderen aan. Want als jij blijft lachen, zoveel als ik nu doe, straal je uit wie je van binnen bent. Iets mooiers kun je de mensen niet geven. Ik wil je op het hart drukken om altijd te blijven schrijven, dan komt die roman of gedichtenbundel er vanzelf wel. En bovenal: geniet van de dingen die je doet, doe alles wat er in je opkomt en vergeet ondertussen niet je dromen waar te maken.

 
Lieve Daphne, ga je eigen weg als vlinder en kleur de lucht met je vleugels.

 
Je oudere ik,
Daphne

Broodje hamburger a la Daphne

Koken. Ik vind het erg leuk. Zo leuk, dat ik het eigenlijk zelden doe. Ik heb er simpelweg geen tijd voor. Dan moet je er tijd voor maken, denk jij nu. Was het maar zo makkelijk. Nee, dat werkt niet. En uit die paar keer dat ik wél kook, komt niet bepaald een culinair hoogstandje voort. Dat dan weer niet. Helaas.

Ik heb altijd honger. Altijd. Of ik nou net uit bed kom of een uur eerder nog gegeten heb, het maakt niet uit. Ik kan iedere minuut van de dag eten. Oké, er zijn dagen dat ik niet aan voedsel moet denken. Dat is wanneer ik een kater heb of wanneer ik ziek ben, maar verder zou ik elk moment van de dag kunnen eten. Gewoon, omdat het zo lekker is.

’s Avonds of ’s nachts na het werken heb ik altijd reuze honger. Niet zo gek ook, wanneer je je bedenkt dat ik zeker zes uur zonder eten heb gezeten en dat nota bene in een restaurant. Zodra ik thuis kom uit mijn werk, trek ik dan ook alle keukenkastjes open en de koelkast wordt grondig geinspecteerd. Uiteraard wordt de vriezer niet vergeten. Dit allemaal op zoek naar iets lekkers, iets wat mijn buikje vult voor ik ga slapen. Zo kreeg ik zondag het geweldige idee een broodje hamburger te maken.

Maar ik houd van aparte dingen, het moet allemaal niet te saai en te gewoon zijn. Het werd daarom een broodje hamburger ‘a la Daphne’: twee witte boterhammen, daarop de – in de pan gebakken – hamburger, dan de verse prei, tomaat en champignons. Om het af te maken nog een klodder curry en mayonaise en mijn vette hap mét gezonde touch was af. Het smullen kon beginnen. En reken maar dat ik heb genoten. Benieuwd hoe lekker het was? Ik zou zeggen: trek je schort aan en waag je de keuken in. Succes gegarandeerd!

Blije woorden en niets anders

Soms heb je van die momenten dat je vindt dat je een geweldig leven hebt. Die momenten die je een glimlach op je gezicht doen toveren. Zomaar, voor je er ook maar over na hebt kunnen denken, besef je: ik ben gelukkig. Ik wil niets anders.

Dat moment ervaarde ik vandaag. Ik dacht terug aan de afgelopen dagen, de afgelopen tijd. Voor ik er erg in had, kwam er in me op dat ik het fijn vond, heerlijk. Een stemmetje in mijn hoofd zei: ik ben gelukkig, wat heb ik toch een geweldig leven. Als vanzelf had ik een grote glimlach op mijn gezicht.

Ik dacht aan mijn nieuwe opleiding. Het studeren, de school, de mensen. Alles is, al is het maar tot nu toe, erg goed bevallen. Ik heb niets te klagen. Lol en gekheid in de pauzes, lol tijdens de colleges, na school de stad in of lekker terrassen, allemaal leuk. Het studentenleven zoals het in mijn ogen zou moeten zijn. Of nou ja, één ding ontbreekt er nog. Een eigen kamer in Tilburg, maar ook die komt er wel.

Ook de weekenden zijn goed gevuld. Afspreken met al mijn lieve vriendinnetjes, uren aan de telefoon hangen met Vriendin A. of Vriendin R en de liefde voor het schrijven met Vriendin I. ’s Avonds lekker stappen in Tilburg of Breda en genieten van de overheerlijke wijn, de mannelijke aandacht en lekker dansen. Het leven is van jou, van niemand anders. Met die gedachte wordt het uitgaan helemaal een groot feest. Verder ga ik altijd met plezier naar mijn werk, waarna ik altijd net zo vrolijk en met een goed gevulde portemonnee thuiskom. Weer niets te klagen dus.   

 Als ik al deze mooie en fijne dingen bij elkaar optel, besef ik dat ik tevreden ben met hoe mijn leven op dit moment loopt. Daar word ik nóg gelukkiger van. Die glimlach is voorlopig niet van mijn gezicht af te krijgen. Stiekem hoop ik dat jullie met me meedoen, dat we allemaal een glimlach op ons gezicht hebben staan. Gewoon, omdat het eigenlijk zo makkelijk is. Gewoon, omdat we allemaal gelukkig zijn.

Te oud? Echt niet!

Met carnaval – in februari dus – ontmoette ik een leuke jongen. Alleen zijn leeftijd zat niet helemaal mee, maar dat maakte me eigenlijk weinig uit. Het ging toch helemaal niet om leeftijd?! Helaas dachten veel mensen daar anders over en daarom schreef ik er toen deze column over.

 Afgelopen carnaval liep ik een leuke jongen tegen het lijf. ‘Jongen?!’ hoor ik sommigen van mijn vriendinnen nu in koor roepen. ‘Een man zul je bedoelen, Daphne!’ Ja, ja, oké… Hij is geen zeventien, zoals ik ben. Ook geen achttien, negentien of twintig. Nee, dat allemaal niet. Hé, maar ho eens even! Hij is ook niet in de dertig, hoor. Wat dan wel, vraag jij jezelf nu af. Zesentwintig, dat is zijn leeftijd, zesentwintig lentes jong.

Twee weken geleden zag ik hem dus in de kroeg in Breda. Natuurlijk wist ik wel dat hij wat ouder was dan ik, maar so what? Leeftijd speelt geen rol, vond ik toen en dat vind ik nu nog steeds. Kom op zeg, het is maar een getal. Hoewel ik natuurlijk wel vind dat er grenzen zijn. Een man van in de dertig? Nee, bedankt. Of een man van vijftig die het doet met een vrouw van dertig, dat snap ik ook niet helemaal. Maar goed, een verschil van acht á negen jaar moet kunnen.

De jongen en ik deden gewoon de dingen die iedereen doet met carnaval: we kletsten, lachten, dronken, hadden het naar onze zin en dansten, wat tja, natuurlijk over ging in zoenen. Helaas werden we al snel gestoord door zijn leuke vrienden, die het nodig vonden eens even mijn leeftijd te checken. Daar had je het al. Ze hoorden van mijn leeftijd en lachend vroegen ze me het hemd van het lijf. Zijn vrienden waren niet de enigen die het niet helemaal begrepen. Vriendin A. wierp al een aantal keren een vragende blik naar me en de grote vraagtekens in haar ogen waren duidelijk zichtbaar. Niks aan de hand, het is maar carnaval, dacht ik en ik richtte me weer tot de jongen.

Zo stonden we een uur lang in de kroeg en vriendin A. moest zich zien te vermaken met de vrienden van mijn crush, die ze veel te oud vond en daarom niets van hun aandacht moest hebben. Na een uur had ze het dan ook wel weer gehad en besloot ze dat we nu toch echt gingen eten. Snel wisselden de jongen en ik onze nummers uit.

En dat was dan het avontuur met de zesentwintigjarige jongen, vermoed je nu, maar dat is niet zo. Het liep toch even anders. Afgelopen zaterdag hadden we afgesproken in de kroeg in Breda. Niet dezelfde als die met carnaval, maar een gezellig kroegje waar je kon zitten en rustig wat kon drinken. We kletsten en lachten wat af. Van het leeftijdsverschil was helemaal niets te merken. Leeftijd speelt dus geen rol, want ondanks dat ik zeventien ben en hij zesentwintig, was het meer dan een geslaagde avond.

En ach, ze zeggen niet voor niets altijd: “Op een oude fiets moet je het leren!”