De taal van de mensenrechten

Zij en ik, we zijn zo verschillend als appels en peren. Men zegt dat je die twee niet moet vergelijken, maar laat ik dat nu toch gewoon doen. Zij heeft blond haar, ik heb bruin haar. Zij werkt in de financiële wereld, ik sprokkel schrijf- en communicatieklussen bij elkaar en rond daarnaast mijn master in de religiewetenschappen af. Zij houdt van controle, ik ben impulsief. Zij is gelovig en leeft daarnaar. Ik geloof niet. Wat we dan delen? Onze jarenlange vriendschap. Onze bewondering voor elkaar.

Het is juist dat anders-zijn wat onze vriendschap zo mooi maakt. We leren van elkaar, laten elkaar op nieuwe manieren naar zaken kijken, omdat we in veel situaties simpelweg verschillend handelen. Nog mooier is het dat we elkaar regelmatig vertellen hoe leerzaam die tegenstellingen zijn en hoeveel waarde we hechten aan de vaak onverwachte adviezen die we de ander geven.

Het liefst zou ik niet alleen aan die vriendin, maar aan de hele wereld vertellen hoe leerzaam het is dat we allemaal anders zijn. Noem me idealist. Maar het is toch o zo simpel dat we – juist met al die verschillen – ook zo hetzelfde zijn. We zijn allemaal mensen. Dus moeten we erkennen dat het niet erg is dat iedereen anders is. Want ondanks al die prachtige verschillen zijn we gelijk. Ik ben niet de enige die dat vind. De vriendin waarmee ik deze blog begon, zou het zo in de Bijbel aan kunnen wijzen. In Johannes 13:34 staat immers te lezen:

“Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.”

En de boeddhisten zullen zich baseren op het volgende gezegde van Boeddha:

“Just as a mother protects her child with her own life, in a similar way we should extend an unlimited heart to all beings.”

Of, zoals de bekende socioloog Jürgen Habermas het zo treffend typeert in Religion and Rationality: Essays on Reason, God, and Modernity (2002):

“Notwithstanding their European origins, … in Asia, Africa, and South America, human rights now constitute the only language in which the opponents and victims of murderous regimes and civil wars can raise their voices against violence, repression, and persecution, against injuries to their human dignity.”

Habermas zegt hier dat de taal van de mensenrechten de morele lingua franca is geworden, vanwege haar wereldwijde moraal. Desondanks wordt die taal vandaag de dag steeds minder gesproken. Het Nederlandse kabinet is alleen maar rechtser geworden, vluchtelingen zijn voor velen een last, we moeten vooral zo hoog mogelijk opgeleid zijn en moslims moeten zich altijd maar verantwoorden. Een hand of een deken toereiken is niet meer vanzelfsprekend. Voor het erkennen van verschillen geldt hetzelfde. In plaats daarvan lijkt het veroordelen van het anders-zijn een makkelijke uitweg om onder bepaalde verantwoordelijkheden uit te komen, die van het opkomen en zorgen voor elkaar. Maar gelovig of niet, het is onze morele plicht naar de ander toe. Als mens. Als ‘die ander’. Voor de ander. Uit liefde en uit moraliteit.

Deze column verscheen eerder op forumc.nl, een instituut voor geloof, wetenschap en samenleving. Deze organisatie organiseerde op 6 februari in de Rode Hoed het debat ‘Een kwestie van beschaving’, waarin het publiek naar vijf pijlers voor de beschaving zoch. Dat ging ze gemakkelijk af. Het werden er zelfs acht. Eén daarvan was Erkenning van verschilen, waarover deze column gaat. 

Aan tafel met alle religies

Het moet iets zijn geweest als ‘zegen deze maaltijd’, maar dan in het Hebreeuws. Deze zegening sprak ik een week of twee geleden uit toen ik op uitnodiging van een joodse vriendin een sjabbatviering met bijbehorende maaltijd bijwoonde in een synagoge in Utrecht. Een paar dagen later had ik een werkoverleg bij ForumC, waar ik stageloop, met hieraan voorafgaand een lunch. Ook toen werden de broodjes zalm gezegend, nu door mijn christelijke collega’s. De rest van die week kwam ik aan tafel in mijn eigen huis niet verder dan ‘eet smakelijk’, saaie agnost die ik ben.

Het zette me aan het denken. Niet over een eigen zegening. Daar worden mijn culinaire kunsten vast niet ineens nog beter van. Wel over hoe mooi het is dat je in een week tijd van het ene geloof in het andere kunt vallen en ondertussen mag zeggen dat je zelf niet weet of die God – wie dat ook mag zijn – wel bestaat. Of kán bestaan. Het maakt ook niet uit. Hier in Nederland kennen we gelukkig vrijheid van (on)geloof, vastgelegd in het zesde artikel van onze Grondwet: Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

“Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”

Deze vrijheid hoort in mijn ogen bij beschaving. Het gaat om elkaar vrijlaten en elkaars overtuiging accepteren. Ook als iemand geen overtuiging heeft. Een wet die we pas sinds 1983 in zijn huidige vorm kennen: toen werd het processieverbod voor de katholieke kerk ook boven de rivieren afgeschaft. Deze afschaffing kwam er veel te laat, zou je het mij of de bekende Nederlandse Verlichtingsfilosoof Spinoza vragen. In 1670 pleitte hij in zijn Theologisch-Politiek Traktaat immers al voor de volledige vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid. Want, zo was zijn idee, religieuze groeperingen vertonen anders onredelijk gedrag, omdat hun fanatieke dogma’s indruisen tegen de redelijke wetten van de staat. En dat kan niet, vond Spinoza, aangezien het onderscheid tussen de menselijke wet en de goddelijke wet slechts schijn is.

Zijn Engelse tijdgenoot John Locke, ook filosoof, schreef in zijn Brief over tolerantie uit 1689 dat geloof door geen enkele overheid en kerk kan worden afgedwongen en dat iedereen dus de vrijheid heeft zelf zijn kerk te kiezen.

“Deze verdeeldheid [in kerken] nu waarborgt eenieder de vrijheid om in die kerk te treden die hij zelf verkiest. (…) De kerk moet al zijn volgelingen herinneren aan de plichten van vrede en welwillendheid tegenover alle mensen. (…) Zij heeft de plicht om ze aan te sporen tot liefde, zachtmoedigheid en tolerantie.”

En toch, wanneer ik aan tafel zou zitten met Spinoza en Locke, zouden we nog voor het dessert in een hevige discussie belanden over die verdraagzaamheid. Want hoe komt het dat vrijheid van religie momenteel voor veel mensen een probleem is? Neem Wilders die met zijn partij zelfs een hele religie wil verbannen. Wil Locke mij überhaupt wel te woord staan? Volgens hem zou ik, als iemand die geen religie aanhangt, een bedreiging zijn voor het publieke belang. Wie geen angst voor het hiernamaals heeft, predikt Locke, zal zich alleen aan de door het volk gekozen regels houden als hem dit goed uitkomt. Op die manier schijn ik de politieke orde te ondermijnen.

Een staatsbedreiging, zo had ik mezelf nog niet eerder gezien. Liever zit ik dan ook aan tafel met de protestantse dominee die ik laatst sprak over tolerantie en moslims in Nederland. De islam heeft dezelfde wortels, zei hij, verwijzend naar Abraham, Mozes en Jezus. Maar ook de herkomst ligt net als het christendom in het Midden-Oosten. Dit maakt beide religies verwant. Hij voegde eraan toe dat het christendom eeuwen nodig had om in West-Europa te landen. De dominee begreep dan ook niet dat veel mensen verwachten dat moslims vaak al binnen één of twee generaties in Nederland aarden. Dat kan niet en daar moeten we volgens hem rekening mee houden. Want, zo sloot hij zijn betoog af, het christendom heeft onze cultuur mee gevormd, maar dat geeft het christendom slechts een voorsprong. Zeker geen voorrang.

Precies. Graag nodig ik dan ook mijn joodse vriendin, mijn christelijke collega’s en iedereen – met welke overtuiging dan ook – uit om met ons mee te eten. Omdat je de maaltijd niet vaak genoeg op verschillende manieren kan zegenen. Omdat ook verdraagzaamheid door de maag gaat.

Deze column verscheen eerder op forumc.nl, een instituut voor geloof, wetenschap en samenleving. Deze organisatie organiseerde op 6 februari in de Rode Hoed het debat ‘Een kwestie van beschaving’, waarin het publiek naar vijf pijlers voor de beschaving zoch. Dat ging ze gemakkelijk af. Het werden er zelfs acht. Eén daarvan was Vrijheid van (on)geloof, waarover deze column gaat. 

Raadhuis

Koninklijk bezoek in Waalwijk hoeven we niet zo snel te verwachten, maar niemand minder dan Sinterklaas logeert al drie jaar op rij in ons historische schoenmakersstadje in de Langstraat. En denk maar niet dat de Sint op meer plekken in de buurt logeert. Nee nee, hij verkiest Waalwijk boven vele andere Brabantse plaatsen. Volgens Francesco van het Kunstencentrum in Waalwijk bedient het Huis van Waalwijk, waar de Sint straks negen dagen heeft gezeteld, heel Midden-Brabant.

Wie zegt dat er in Waalwijk niks te doen is op het gebied van cultuur, heeft het dus wéér mis. Kijk alleen al naar vanavond. Maar daar gaat het nu niet om. We hebben hoog bezoek en daar wordt door het Kunstencentrum, de bibliotheek, de gemeente en de decormaker van toneelvereniging OOG goed voor gezorgd. Zeg dus niet dat de culturele instellingen in Waalwijk de handen niet ineen steken.

Het ontbreekt die beste Spanjaard aan helemaal niets. Een tweepersoonsbed voor hem alleen. Tenzij de Sint stiekem de zoveelste bisschop is die er een avontuurtje op nahoudt. Er is een keuken waar de Pieten pepernoten bakken, er is een kunstenkamer waar alle tekeningen van de kinderen hangen en een heuse postkamer waar de Postpiet alle verlanglijstjes sorteert. Alle kinderen en hun ouders mogen langskomen om zelf te zien wat Sinterklaas nou de hele dag doet. Sint die je de hand schudt en de tijd voor je heeft, dat wil toch ieder kind?

Ja, over het oude raadhuis van Waalwijk hoeven we ons geen zorgen te maken, daar floreert cultuur. De sint als logé en de succesvolle tentoonstellingen de afgelopen maanden over Waalwijk in de sixties en RKC laten dat al zien. Kropholler zou trots zijn.
Een ander verhaal is het oude raadhuis van Sprang-Capelle. Daar werden regelmatig succesvolle tentoonstellingen gehouden door de heemkundevereniging, maar nu zijn er plannen om van het karakteristieke gemeentehuis appartementen en een horecagelegenheid te maken. Het enige historische wat overeind blijft is de voorgevel. Daar moet een man achter zitten, denk ik dan, zo’n eentje die bij een mooie vrouw ook alleen oog heeft voor haar voorgevel. En ja hoor, wie de krant openslaat, leest dat projectontwikkelaar Erik Faro het oude raadhuis heeft gekocht.

Ik stel de beste man voor om een van de weinige culturele gebouwen in Sprang-Capelle, op alle kerken na, in leven te houden en er geen horecagelegenheid in te plaatsen, maar eens te gaan praten met de mensen van het Huis van Waalwijk. Zij kunnen vertellen hoe historie niet verloren gaat. Ik durf te wedden dat het bestuur van de kerken, de heemkundevereniging en veel Sprang-Capellenaren er ook zo over denken. Ben je dan nog niet overtuigd, vraag dan de Sint eens te logeren.

Winst

Ach, zo gezellig, dat kleine Waalwijk aan de Maas, met de Efteling om de hoek, de 80 van de Langstraat, dat ons kneuterige plaatsje het eerste weekend van deze maand weer op zijn kop zette, ’s lands beste slager zetelt hier en niemand minder dan minister Bussenmaker pronkt met schoenen uit onze SLEM-3D-printer. Hopelijk draait dat ding dankzij de onderwijsminister straks overuren. Alsof het niet gekker kan, krijgt ons gezellige Waalwijk nu ook nog een soap. Een echte soap. Van de KNVB. Die wordt uitgezonden.

De voetbalbond gaat het damesteam van WSC volgen, omdat ze van de 18 wedstrijden geen enkele keer scoorden. Geen goede tijden. Het team kent alleen slechte tijden met 324 doelpunten tegen. 324. Maar het plezier van de voetballende vrouwen wordt er niet minder om. Dat kunnen we straks zelf aanschouwen. Zitten we van de Meerdijk tot aan Zanddonk met zijn allen gezellig voor de buis. Trots dat Waalwijk ook eens wordt opgemerkt. Dat we in het nieuws zijn. Dat er over ons wordt gepraat. Vraag je aan zo’n vaste kijker uit een uithoek van het land straks wat de Waalwijkse cultuur is, antwoordt ie: schoenen uit een 3D-printer en vrouwen die niet kunnen voetballen.

 

Liever zie ik dat het getal 324 over iets heel anders gaat. Niet over doelpunten, maar over mensen. Dat de gemeenteraad hard met de vuist op tafel slaat – tot rondvliegende houtsplinters aan toe – en zegt: we hebben plek voor 324 vluchtelingen hier in Waalwijk. Dát is pas scoren. Het klinkt al zoveel beter dan die schamele 43 vluchtelingen die sinds vanmiddag drie dagen in sporthal De Slagen verblijven voor noodopvang. Dan komen we niet in het nieuws omdat het zo gezellig is in Waalwijk of omdat de beste slager hier zijn vlees verkoopt, maar omdat we een soort tweede Nijmegen zijn dat misschien geen 3000 vluchtelingen op kan nemen, maar wel een tiende daarvan. Het grootste deel hiervan past in De Slagen. De rest kan in de oude Walewyc dat leegstaat. Burgemeester en wethouders, hoort u mij?

Waalwijk moet op de kaart komen, omdat we tolerant zijn. Ook dat is cultuur. Cultuur en beschaving gaan immers hand in hand, toch? En cultuur ontwikkelt zich door zich open te stellen voor de buitenwereld, het vreemde. We kunnen in Waalwijk op dat gebied nu een voorbeeld zijn voor andere gemeentes en dorpen. Omdat de bewoners hier wél weten wat een warm welkom is. Wél klaarstaan om de hulp te bieden die de mensen nodig hebben. Allemaal doen we iets. Dáár zouden ze een soap van moeten maken. Zet er maar camera’s op, zoveel mogelijk. Het schijnt dat vluchtelingen de tijd graag doorkomen met een potje voetbal. Misschien kunnen zij het damesteam van WSC dan leren hoe je doelpunten maakt. Dan voorspel ik dubbele winst.

Deze column las ik op vrijdag 25 september voor tijdens Club d’Hivers, een talkshow die laat zien wat er op cultureel en kunstzinnig gebied allemaal in De Langstraat te doen is. Club d’ Hivers wordt iedere laatste vrijdag van de maand in het Waalwijkse Atelier Winterdijk30b gehouden. Wees welkom! (Gratis!)

Column Lezen – Brabants Dagblad

Lezen

En nu het licht uit! Woorden die nog door mijn hoofd galmen als ik terugdenk aan de avonden waarop mijn moeder met een flinke zwaai mijn slaapkamerdeur opengooide. Ze gebood me mijzelf niet langer aan mijn boek maar aan dromenland over te geven. Als zevenjarig meisje sputterde ik dan nog even tegen: “Maar het verhaal is zo mooi!” Zin had het niet. “Het is veel te laat. Kinderen van jouw leeftijd horen te slapen. Morgen mag je weer lezen.” Later ontdekte ik dat het slimmer was een zaklamp naast mijn kussen te leggen; dat licht was op de gang niet te zien.

Voor lezen is het nooit te laat. Ik weet nu al dat mijn kinderen later mogen lezen zolang als ze zelf willen, ook als dit minder nachtrust betekent. Op de lange termijn hebben ze meer aan een goed boek dan een uurtje langer slapen. Het baart me dan ook zorgen overal te lezen dat kleuterjuffen en -meesters amper nog tijd aan voorlezen mogen besteden. Een uur per week is al snel te veel. In plaats daarvan moeten leerkrachten zich houden aan ellenlange protocollen waarin staat dat er woorden en rekensommen moeten worden geleerd. Wie de onderzoeken er op natrekt, weet echter dat kinderen die altijd voorgelezen zijn later een bredere woordenschat hebben.

Mijn zorgen worden groter als ik terugdenk aan mijn eigen schooltijd en me realiseer dat het voorlezen – zoals dat toen zo vaak gedaan werd – voor de kinderen van nu misschien niet meer zo vanzelfsprekend is. In de kleuterklas zaten we met zijn allen in de kring, terwijl de juf een prentenboek voorlas en ieder plaatje langzaam aan alle kleuters toonde. In groep 3 viel de hele klas stil zodra de leraar Wipneus en Pim van B. van Wijckmade tevoorschijn haalde. Spannende avonturen, waardoor we de schoolbel niet eens meer hoorden. Sinds ik zelf boeken kon lezen ben ik dat altijd blijven doen. In groep 7 hield ik dan ook trots een spreekbeurt over de Kinderboekenweek. Een opvallende keuze, vond Meneer Bart die toen mijn leraar was. Het onderwerp werd zelden gekozen, zei hij. Toen vond ik dat vreemd. Nu niet meer. Het waren de beginjaren van 2000. Iedereen had net een computer. Alle spelletjes die je daarop kon spelen waren voor de meeste kinderen interessanter dan een goed boek. Ik vraag me dan ook af of Meneer Bart na mij ooit nog naar een spreekbeurt over de Kinderboekenweek geluisterd heeft.

Ik ben niet de enige die met weemoed terugdenkt aan die jaren. Kinderboekenschrijver Jacques Vriens toonde laatst nog zijn zorgen. Hij vraagt zich of kinderen straks nog weten wie Paul Biegel en Thea Beckman waren. Hij is bang dat klassiekers uit beeld verdwijnen en het in kinderboekenland steeds meer om scoren gaat.  Vriens roept dan ook op om jaarlijks een soort Nederland leest! voor kinderen te bedenken: ieder kind krijgt gratis een klassieker in de hoop dat hij of zij weer plezier in lezen krijgt. Ik kan niet anders dan me bij Vriens aansluiten en hopen dat de meesters en juffen van nu dat ook doen. Lees weer meer dan een uur per week voor, net als voorheen. Leg die protocollen maar in een donker kamertje en laat dan wèl het licht uit.

Van september 2013 tot en met september 2014 was ik columnist voor het Brabants Dagblad. Voor de onderwijspagina’s van alle edities (m.u.v. editie Tilburg) schreef ik eens in de twee maanden een onderwijsgerelateerde column. De column hierboven is, net als Rijstwafels, één van die columns die ik schreef en stond op 17 december 2013 in het Brabants Dagblad.

Vrijwilligersprijs

Nu het jaar bijna ten einde loopt, is het wel eens tijd om mensen met een groot hart in het zonnetje te zetten. Mensen die zich vrijwillig inzetten voor de mensen die het nodig hebben. In verschillende gemeentes wordt er dan ook jaarlijks een vrijwilligersprijs uitgereikt. En dat moet natuurlijk in ieder gemeente gebeuren.

Wie de prijs in Almere zal krijgen, is wel duidelijk. Grensrechter Richard Nieuwenhuizen van amateurvoetbalvereniging Buitenboys verdient de prijs als geen ander. Afgelopen zaterdag werd hij na een wedstrijd vlaggen in elkaar getrapt en geslagen door een paar onbeschofte jongens. Vervolgens overleed hij aan zijn verwondingen. Nieuwenhuizen was een geliefd persoon bij Buitenboys en was er al jarenlang te vinden als vrijwilliger, want zijn zoon voetbalt immers zelf bij de club. De mishandeling van deze onschuldige grensrechter zette me aan het denken. Mijn vader is ook al jarenlang grensrechter bij de plaatselijke voetbalvereniging. Zelfs nu mijn broertje allang gestopt is met voetballen gaat hij enthousiast door. Iedere zaterdag of zondag staat mijn vader in weer en wind te vlaggen. Ook wanneer de jongens uit zijn team menen dat hij wel wat harder mag rennen langs de lijn. Het zullen wellicht zijn minder fitte benen zijn die niet meer zo meewerken. Die tijd dat hij een jonge god was is immers voorbij. Natuurlijk vlagt mijn vader ook wel eens wedstrijden waarbij de tegenstander ontevreden is of niet tegen zijn verlies kan. Wat nou als mijn vader het slachtoffer was geweest? Verschrikkelijk. Ik denk dat jongeren – en niet alleen de voetbaljeugd – te weinig beseffen hoeveel vrijwilligers waard zijn. Dat die mensen, zoals Richard Nieuwenhuizen, in hun vrije tijd iets voor de club betekenen, dat ze het beste met de club en de leden voor hebben en daarom graag hun steentje bijdragen. De jeugd ziet het als vanzelfsprekend, maar dat is het niet.

Laten we daarom iets meer bewustzijn creëren bij de jeugdleden van sportclubs- en verenigen. In de hoop dat geen enkele familie en vereniging hoeft te doorstaan wat het gezin en de voetbalclub van Richard Nieuwenhuizen nu meemaken. Al die mensen die iets voor anderen betekenen, wat het ook moge zijn, van vrijwilliger bij een buurtvereniging tot aan grensrechter bij een voetbalclub, verdienen net een beetje meer waardering dan ze normaal al krijgen. Omdat we respect hebben voor alles wat ze voor een vereniging over hebben en betekenen voor een ander. Die mensen, stuk voor stuk, verdienen de vrijwilligersprijs.

Vrijwilligerswerk met een gouden randje

Het broertje van een vriendin van mij is een erg leuke oprechte jongen. En gehandicapt. Dat maakt hem tot wie hij is: lief en bijzonder. Hij is achttien, de leeftijd waarop je zou zeggen: oud genoeg om zelf wat extra geld te verdienen. Maar om aan een zakcentje te komen, moet je werken. Het mooie is: de jongen werkt bij de plaatselijke supermarkt in het dorp waar hij woont. Eind goed, al goed. Zou je denken. Maar zo makkelijk is het helaas niet.

Want die paar dagen in de week vakken vullen doet hij voor niets. Loonstrookjes zijn hem onbekend. Terwijl de andere vakkenvullers van zijn leeftijd wel betaald krijgen. Jongens en meisjes die hetzelfde werk doen, maar nooit de stempel ‘lichamelijk beperkt’ op zich geplakt hebben gekregen. Want het broertje van mijn vriendin is echt niet gek. Hij gedraagt zich alleen wat jonger dan hij werkelijk is. Maar voor vakken vullen, klanten helpen en een praatje met ze maken, deinst hij niet terug. De klanten kennen hem en hij kent de klanten. Mensen die, nadat ze door hem zijn geholpen, vaak met een lach de winkel verlaten. “Jongeman, kun jij misschien bij dat pak koekjes daar bovenaan?” Hij draait zich om van zijn werk. Er verschijnt een ondeugende lach op zijn gezicht en hij antwoordt: “Ja hoor mevrouw, dat kan ik wel!”, waarna hij zich weer omdraait en rustig verder gaat met zijn werk. Perplex kijkt de vrouw hem aan en dan barsten ze allebei tegelijk in lachen uit.

De jongen, inmiddels ervaren vakkenvuller, zou ook gewoon betaald moeten worden, maar dat kan niet. Hij zou graag werken om zijn brandstof voor zijn Puch te kunnen betalen, maar brandstof is geen zorg en die heeft hij wel nodig. Om niet gekort te worden op die zorg (persoonsgebonden budget), werkt hij daarom zonder loon. Want wanneer hij wel betaald werk zou doen, zouden zijn ouders minder pgb van de overheid krijgen. Maar zo simpel is het niet. Iemand die een paar uur in de week kan werken, heeft niet opeens minder zorg nodig. Dus gaat de jongen vrolijk en van niets wetend door met zijn werk. Vrijwilligerswerk met een extra gouden randje.

Deze column is tevens verschenen op http://www.stichtingmeo.nl.

 

Clubmoeder

Elke club of vereniging heeft zijn eigen clubmoeder. Dat is de vrouw met de liefste lach, de zachtste stem, de warmste handen en de grootste schoot. De ‘mama’ bij wie iedereen zonder problemen terecht mag en kan. Alle kinderen – van jong tot oud – zijn dol op haar. En alle ouders zijn blij met zo’n vrijwilligster.

Zo had ik zelf zo’n zes jaar lang een lievelingstrainster. Annemieke. Vroeger deed ik namelijk aan wedstrijdzwemmen. Soms fanatiek, meestal niet. Mijn lievelingstrainster wist daar alles van. Gelukkig zei ze er nooit zo veel over. Echt boos kon ze ook nooit op mij en mijn beste vriendin worden. Veel belangrijker was dat we plezier hadden in wat we deden en dat we met een lach op onze gezicht naar het zwembad kwamen. Stiekem vond ze onze streken veel te leuk.

In het zwembad waar ik drie keer in de week trainde, was het verplicht om te douchen voor je het water in ging. Dat betekende dat je na het douchen zeiknat op een bankje zat te druipen, luisterend naar de trainers die instructies gaven over welke slag en hoeveel meter we moesten zwemmen. Maar sprietjes al mijn vriendin en ik waren, hadden we het na de eerste paar minuten van zo’n uitleg al ijskoud. Dat douchen sloegen wij dan ook iedere keer gewoon over. Tot Annemieke het in de gaten kreeg. Moeders ontdekken alles. Natuurlijk. Zonder douchen kwamen we het zwembad niet meer in. Zoals echte moeder betaamt, hield ze ons dan ook in de gaten. Hadden we drogen haren, dan hadden we niet gedoucht. De oplossing was simpel: voortaan maakten mijn vriendin en ik onder de douche alleen onze haren nat. Kou lijden hoefde niet meer en een wijzende vinger van Annemieke richting de douche was ook verleden tijd.

De clubmoeder is er eentje die iedereen gelijk behandelt en die ieder kind of jongere even lief vindt. Een echte knuffelmama. Dat was Annemieke ook. Bij haar kon je altijd uithuilen, al je problemen neerleggen en niks was te gek. Ook wanneer het privé even niet lekker ging hoefde je maar te bellen en de thee stond al op de tafel nog voor je opgehangen had. Naar je eigen moeder luisteren deed je liever niet. Maar zo’n tweede moeder met al haar wijze lessen, dat was eigenlijk toch wel heel handig. Soms vraag ik me dan ook af hoe ik haar moet bedanken. En dan realiseer ik me weer dat ik zelf door moet gaan met vrijwilligerswerk. Iets betekenen voor een ander is het meest dankbare wat er is. Want als Annemieke me niet al die keren had laten verkleumen langs het bad, was ik niet die harde tante geworden die ik nu ben.

Deze column is tevens verschenen op http://www.stichtingmeo.nl.