Van de bergen

Wil je me voorlezen, vroeg ik mijn vader.
Ik nestelde me net als vroeger tegen hem aan,
trok mijn benen op en legde mijn hoofd op zijn borst. 
Zijn stem werd zachter. Zachter dan wanneer hij fluisterde en 
zachter dan zijn stem in mijn herinnering ooit was geweest.

Hij vertelde van de bergen.
Hoe hoog ze waren, maar dat ze altijd hoger konden. 
Om vervolgens een stilte te laten vallen en te zeggen dat alles altijd hoger kan. 
Hoe de sneeuw viel en viel, 
en hoeveel meer het was dan voorzien. 
Dat omdraaien een optie was, 
maar dat je met je schoenen ook diepere, zwaardere stappen kon zetten. 
“Zwaar, wat is zwaar?”, mompelde hij. “De sneeuw trotseren op je blote voeten, dat is zwaar.”

Hij vertelde van de bergen.
Hoe hoog ze waren en dat je de zon bijna kon aanraken als je het hoogste puntje had bereikt.
Dat je de warmte dan kon voelen en de kou snel vergat. 
Dat je stiekem een beetje zon in beide jaszakken moest stoppen voor de terugweg. 

Ik luisterde en luisterde, 
naar het verhaal over de bergen en hoe hoog ze waren.
Maar langzaam werd luisteren dromen en werd mijn vaders stem harder. 
“Bedtijd!”, hoorde ik hem onderaan mijn berg zeggen. Een arm onder mijn oksels, een arm onder mijn knieën en daarna een kussen onder mijn hoofd. 
“Slaap maar, slaap maar fijn.”